In zijn arrest van 12 december 2025 (nr. 265.188) heeft de Raad van State de verhoogde drempelbedragen uit het KB Erkenning vernietigd. Die drempelbedragen waren bij KB van 14 april 2024, met ingang van 1 juni 2024, gewijzigd en gevoelig verhoogd, voor het eerst sinds de inwerkingtreding van het KB Erkenning in 1991. De onmiddellijke vraag die zich stelt, is uiteraard: wat nu?
Overheidsopdrachten voor werken waarvan de geraamde waarde een door het KB Erkenning[1] vastgelegd bedrag overschrijdt, kunnen enkel worden uitgevoerd door ondernemers die daartoe erkend zijn of die kunnen aantonen dat zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. De wet van 20 maart 1991 bepaalt dat die voorwaarden onder meer betrekking hebben op de technische bekwaamheid en de financiële en economische draagkracht. [2]
Daartoe bepaalt het KB Erkenning o.m. dat het gemiddeld aantal werklieden en kaderleden gedurende drie semesters, vrij te kiezen uit de vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het semester waarin de aanvraag wordt ingediend, in aanmerking genomen wordt om de technische bekwaamheid van aannemers te beoordelen. Dat aantal verschilt naargelang een onderneming behoort tot type A dan wel type B.[3]
Naargelang de klasse waartoe een aannemer erkend wordt, zal hij toegelaten worden om werken tot een bepaald bedrag uit te voeren. Die bedragen werden voor het eerst vastgelegd in het KB Erkenning in 1991. Hoewel er toen voorzien werd dat deze maximumbedragen vijfjaarlijks aangepast zouden worden op basis van de schommelingen van het ABEX-indexcijfer, gebeurde dit sindsdien nooit. Daarom werden voormelde bedragen via een KB van 14 april 2024 verhoogd, met inwerkingtreding van 1 juni 2024.
Met de gedachte: beter laat dan nooit?
De verzoekende partij in het geding, een baggerbedrijf dat ingevolge de erkenningsreglementering onder klasse 7, type A ressorteert, was van mening dat deze verhoging van de maximumbedragen een ongelijke behandeling in het leven riep en stelde bijgevolg een beroep tot nietigverklaring van het KB van 14 april 2024 in.
Middelen van de verzoekende partij
In een eerste middel wierp de verzoekende partij op dat de verhoging van de maximumbedragen een schending inhield van het gelijkheidsbeginsel aangezien haar op die manier de toegang tot overheidsopdrachten boven de drempel van 6.396.000 euro beperkt wordt op een disproportionele wijze. De verzoekende partij wees er namelijk op dat de criteria m.b.t. de technische bekwaamheid van aannemers, zoals het voormeld gemiddeld aantal werklieden, door het KB van 14 april 2024 ongewijzigd bleven. Volgens de verzoekende partij kon het namelijk niet langer noodzakelijk geacht worden dat eenzelfde personeelsbestand geëist wordt om werken uit te voeren die overeenkomstig het ABEX-indexcijfer 2,5 maal kleiner geworden zijn.
In een tweede middel zette de verzoekende partij vervolgens uiteen dat, specifiek voor de baggerbedrijven waartoe zij aldus behoort, door haar de toegang te beperken tot overheidsopdrachten van maximaal 6.396.000 euro, terwijl er een ongemotiveerd onderscheid gemaakt wordt tussen ondernemingen van type A en type B inzake het aantal personeelsleden, het gelijkheidsbeginsel eveneens geschonden werd.
Het oordeel van de Raad: de nieuwe drempelbedragen zijn niet proportioneel
De Raad herinnert er eerst aan dat de erkenningsmaatregelen en de criteria m.b.t. de aan te tonen technische bekwaamheid destijds ingevoerd werden rekening houdend met de ontwikkelingen in de bouwsector, onder meer wat betreft de nieuwe technologieën en de consequenties ervan voor de tewerkstelling, en dat de drempelbedragen ingevoerd werden met als doel een genoegzame mededinging te verzekeren.
De Raad erkent daarbij dat het doel van de erkenningsregeling erin bestaat om de kwaliteit van de aannemers te garanderen en de gelijke behandeling van aannemers alsook de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen tot de overheidsopdrachtenmarkt te garanderen. Bovendien bleek ook uit het administratief dossier van de Belgische Staat dat de doelstelling van het KB van 14 april 2024, m.n. de verruiming van de mededinging gelet op de significant gestegen bouwkosten, in de doelstelling van de erkenningsreglementering ingepast kon worden.
Desalniettemin oordeelde de Raad dat daaruit niet afgeleid kan worden dat de vereiste proportionaliteit tussen enerzijds de technische en financiële geschiktheid om een kwaliteitsvolle uitvoering van de werken te garanderen en anderzijds de nieuwe maximumbedragen gerespecteerd werd. De Raad vindt steun voor die beoordeling in o.m. het advies van de Commissie voor Overheidsopdrachten waarin aangegeven werd dat het niet aanpassen van de criteria inzake de technische bekwaamheid als incoherent (of onevenwichtig) beschouwd kon worden.
Volgens de Raad kan het niet zo zijn dat de stijging van de bouwkost, gelet op de evolutie van het ABEX-indexcijfer enerzijds en de nieuwe technologieën met impact op de tewerkstelling anderzijds, verantwoordt dat verzoekende partij de toegang wordt ontzegd tot overheidsopdrachten en concessies voor werken met een omvang van meer dan 6.396.000 euro. Het feit dat dit slechts een tijdelijke maatregel zou betreffen voor een sector in crisis, in afwachting van een grondige hervorming van de erkenningsreglementering, doet daaraan geen afbreuk volgens de Raad.
En nu?
In het arrest geeft de Raad van State weer dat de verwerende partij daags voor de zitting een ‘aanvullende laatste memorie met verzoek tot handhaving’ indiende op elektronische wijze. Daarin vroeg de verwerende partij om overeenkomstig artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de gevolgen van het KB te handhaven indien de Raad zou besluiten tot vernietiging. De Raad stelt in het arrest echter vast dat deze vordering niet in de laatste memorie van de verwerende partij werd opgenomen, hetgeen nochtans in artikel 14 van het procedurereglement van de Raad voorgeschreven wordt, en dat dit tevens een schending van de plicht tot loyale procesvoering inhield, aangezien zowel het auditoraat als de verzoekende partij niet meer de kans kregen om hierop te antwoorden door de neerlegging daags voor de zitting.
De vordering tot handhaving van de gevolgen werd bijgevolg onontvankelijk verklaard. De vernietiging van het bestreden KB van 14 april 2024 heeft dus tot gevolg dat de oude drempelbedragen weer van kracht worden. Deze zagen er als volgt uit:
- Klasse 1: 135.000 euro
- Klasse 2: 275.000 euro
- Klasse 3: 500.000 euro
- Klasse 4: 900.000 euro
- Klasse 5: 1.810.000 euro
- Klasse 6: 3.225.000 euro
- Klasse 7: 5.330.000 euro
- Klasse 8: > 5.330.000 euro
Voormelde bedragen zijn exclusief btw.
In lopende procedures dient aldus met deze drempelbedragen rekening gehouden te worden.
Opdrachten die op heden nog niet formeel werden gesloten, worden best opnieuw onder de loep genomen om na te gaan of er voldaan is aan de erkenningsreglementering, aangezien deze van openbare orde is.
***
Het gespecialiseerd team van GD&A Advocaten staat ter beschikking voor vragen over de gevolgen van dit arrest voor lopende plaatsingsprocedures, reeds gegunde opdrachten en/of gesloten overeenkomsten.
Een vernietiging van een rechtshandeling heeft immers tot gevolg dat deze wordt geacht nooit bestaan te hebben.
Wij staan u graag te woord!
[1] KB van 26 september 1991 inzake de erkenning van aannemers.
[2] Artikel 4, §1, 5° en 6° wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers der werken, BS 6 april 1991.
[3] Ingevolge artikel 11, §2, 2° voorlaatste lid KB Erkenning vallen enkel de erkenningen in categorieën D17, K3, L, L, L2, M, M1, P2, P3, P4, S, S1, S2, S3, S4, T3, T4 en T6 onder type B.