De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft op 8 oktober 2026 in twee tussenarresten een prejudiciële vraag gesteld over de grondwettigheid van artikel 4.4.9/1 VCRO. Deze nieuwsbrief licht toe wat op het spel staat en welke gevolgen dit kan hebben voor vergunningverlening en ruimtelijke planning voor uw bestuur.

Artikel 4.4.9/1 VCRO is sinds 2017 een belangrijk instrument om – via vergunningverlening – af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg (BPA’s) ouder dan 15 jaar. Op 8 oktober 2026 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen echter een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van deze afwijkingsregeling met onder meer het gelijkheidsbeginsel, het grondwettelijk recht op een gezond leefmilieu en de inspraakvereisten uit het Verdrag van Aarhus en de plan-MER-richtlijn. In deze nieuwsbrief schetsen we de draagwijdte van die vraag en de praktische implicaties voor besturen, initiatiefnemers en praktijkjuristen.

Context: tussenarresten van de RvVb van 8 oktober 2026
Op 8 oktober 2026 wees de Raad voor Vergunningsbetwistingen twee tussenarresten (nrs. RvVb‑2627‑0109 en RvVb‑2627‑0110) naar aanleiding van vernietigingsberoepen tegen een omgevingsvergunning voor een grootschalig bouwproject in Blankenberge. In dat dossier steunde de provincie West‑Vlaanderen expliciet op artikel 4.4.9/1 VCRO om op meerdere punten af te wijken van het BPA ‘Zeedijk’ (bouwhoogte, inplanting, bestemming, bouwdiepte, …).

Omdat het middel over de (on)grondwettigheid van artikel 4.4.9/1 VCRO centraal kwam te staan, achtte de Raad het noodzakelijk om het Grondwettelijk Hof hierover een prejudiciële vraag te stellen en de verdere behandeling van de zaken op te schorten

Wat doet artikel 4.4.9/1 VCRO?
Artikel 4.4.9/1 VCRO laat het vergunningverlenend bestuur toe om, bij het verlenen van een omgevingsvergunning, af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften van een BPA, op voorwaarde dat:

  • het BPA ouder is dan 15 jaar bij indiening van de aanvraag;
  • de afwijking geen betrekking heeft op wegenis, openbaar groen of erfgoedwaarden;
  • het gaat om voorschriften die een aanvulling vormen op bepaalde “harde” gewestplanbestemmingen (o.m. woongebieden, industriegebieden, dienstverleningsgebieden, …);
  • het BPA niet in afwijking van het gewestplan agrarisch, ruimtelijk kwetsbaar of recreatiegebied inbrengt en niet is gelegen in watergevoelig openruimtegebied;
  • de aanvraag tot afwijking uitdrukkelijk wordt gevraagd, gemotiveerd en onderworpen aan een openbaar onderzoek;
  • de goede ruimtelijke ordening wordt gerespecteerd.

De decreetgever koppelde deze afwijkingsregeling aan de beleidsdoelstelling om het ruimtelijk rendement te verhogen en verouderde BPA‑voorschriften sneller te kunnen “overstijgen” zonder eerst een RUP‑procedure te moeten doorlopen.

De prejudiciële vraag: kern van het debat
De Raad voor Vergunningsbetwistingen vraagt het Grondwettelijk Hof of artikel 4.4.9/1 VCRO verenigbaar is met:

  • de artikelen 10 en 11 Gw (gelijkheid en non‑discriminatie);
  • artikel 23, 4° Gw (recht op bescherming van een gezond leefmilieu en het standstill‑beginsel);
  • de inspraak‑ en milieubeoordelingsverplichtingen uit het Verdrag van Aarhus en de plan‑MER‑richtlijn.

Concreet staat tweeledige kritiek centraal:

  • Ongelijke behandeling van burgers

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • burgers in een gebied met een BPA ouder dan 15 jaar, waar via vergunningverlening verregaand van planvoorschriften kan worden afgeweken;
  • burgers in een gebied onder een nieuwer BPA of RUP, waar gelijkaardige koerswijzigingen doorgaans enkel kunnen via een planningsprocedure (met plan‑MER, uitgebreid openbaar onderzoek en inspraak).

De vraag is of de grens “ouder dan 15 jaar” voor BPA’s een objectieve en redelijke verantwoording heeft, zoals het Grondwettelijk Hof dat eerder wél aanvaardde voor bepaalde verkavelingsvoorschriften.

  • Mogelijke achteruitgang van milieubescherming (standstill)

Doordat belangrijke planologische keuzes (bv. verdichting, functiemenging, hoogbouw) via individuele vergunningen mogelijk worden gemaakt, kan het bestaande beschermingsniveau van het leefmilieu worden verlaagd zonder voorafgaande plan-MER en zonder de uitgebreidere inspraak die bij planningsprocessen hoort. De vraag is of dat in overeenstemming is met de grondwettelijke standstill‑verplichting.

Praktische gevolgen in lopende en toekomstige dossiers
Tot het Grondwettelijk Hof uitspraak doet, heeft de beslissing van de Raad onmiddellijk impact op de praktijk:

  • Opschorting van beroepen

In de zaken waarin artikel 4.4.9/1 VCRO een doorslaggevende rol speelt, worden de debatten heropend en de behandeling uitgesteld. Andere beroepen waarin dit artikel centraal staat, kunnen hetzelfde lot ondergaan.

  • Vergunningen gebaseerd op 4.4.9/1 VCRO

Besturen die voor verdichting of functiewijziging zwaar leunen op afwijkingen t.o.v. oude BPA’s, moeten rekening houden met de mogelijkheid dat (delen van) het afwijkingsregime ongrondwettig worden verklaard. Dit kan gevolgen hebben voor zowel lopende aanvragen als verleende vergunningen die nog aanvechtbaar zijn.

  • Rechtszekerheid voor initiatiefnemers

Voor initiatiefnemers en ontwerpers ontstaat rechtsonzekerheid: projecten die substantieel steunen op artikel 4.4.9/1 VCRO lopen een verhoogd procesrisico.

Vooruitblik: mogelijke scenario’s bij het Grondwettelijk Hof
Het Grondwettelijk Hof zal het standpunt van de Vlaamse decreetgever, betrokken overheden en eventueel adviesorganen inwinnen en vervolgens uitspraak doen. Mogelijke uitkomsten zijn:

  • bevestiging van de regeling, eventueel met verduidelijkende randvoorwaarden;
  • gedeeltelijke vernietiging of een restrictieve interpretatie (bv. voor verregaande afwijkingen);
  • verregaande vernietiging van (een kern van) het afwijkingsregime.

Afhankelijk van de uitkomst zullen besturen hun vergunnings‑ en planningspraktijk mogelijk moeten bijsturen, zeker in gebieden die nog onder oude BPA’s vallen.

De komende maanden zullen cruciaal zijn. Het Grondwettelijk Hof zal moeten oordelen of de afweging die de decreetgever heeft gemaakt tussen ruimtelijk rendement enerzijds en inspraak, gelijkheid en milieubescherming anderzijds, de toets aan de Grondwet kan doorstaan. Welke uitkomst ook uit de bus komt, zij zal de contouren hertekenen waarbinnen lokale besturen in Vlaanderen hun vergunningenbeleid kunnen voeren.

Vigilantia et prudentia

***

Bij GD&A Advocaten begrijpen we als geen ander het belang van deze materie. Ons team staat dan ook steeds klaar om uw bestuur met kennis van zaken bij te staan.

Auteur(s):

Lara Hendrix

Leave a Reply