De federale regering heeft de nakende btw-verhogingen in de vrijetijdsector toegelicht in de Commissie voor Financiën en Begroting. De nieuwe tarieven treden reeds op 1 maart 2026 in werking, maar ontwerp-KB en toelichting wachten thans nog voor advies van de Raad van State. Vooral de interpretatie van de uitzonderingen in de cultuursector roept heel wat vragen op.

Kern van de hervorming

De regering verhoogt het btw-tarief voor de toekenning van het recht op toegang tot een inrichting voor cultuur, sport en vermaak van 6 naar 12 procent. Het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur (voor zover niet expliciet uitgezonderd), sport of vermaak wordt belast aan 12% via een nieuwe rubriek II in Tabel B van het KB nr. 20. Voor (straat)theater, choreografie, circus, opera en klassieke muziek blijft het 6%-tarief gelden via een aangepaste rubriek XXVIII in Tabel A. Deze verhoging moet volgens de ramingen van de FOD Financiën 253 miljoen euro opleveren voor het begrotingsjaar 2026. De inwerkingtreding is voorzien op 1 maart 2026, zodat de regering de sector aldus slechts beperkte tijd gunt om de nodige aanpassingen door te voeren.

De minister van Financiën beklemtoont dat deze maatregel kadert binnen een bredere hervorming. De verschuiving van directe naar indirecte belastingen vindt steun in verschillende internationale en Europese aanbevelingen aan ons land. Minister Jambon verwijst daarbij naar het voorbeeld van Nederland, waar het koopkrachtverlies als gevolg van een btw-verhoging van 6 naar 9 procent werd gecompenseerd door een verlaging van de directe belastingen, met behoud van de koopkracht tot gevolg.

Welke activiteiten worden getroffen

De verhoging naar 12 procent heeft betrekking op het verlenen van toegang tot een ‘inrichting’ (een al dan niet tijdelijke ruimte of plaats) die bestemd is voor cultuur, sport of ontspanning. Volgens de toelichting bij het ontwerp-KB gaat het onder meer om de toegang tot sportinrichtingen als beoefenaar of toeschouwer (bv. fitness- of danszalen), sportmanifestaties, musea, monumenten, sites, aangelegde parken, avonturenparken, sauna’s, bowling, karting, escaperooms, botanische en zoölogische tuinen. Ook muziek- en zangconcerten (ongeacht de artistieke aard), film-, dans-, magie- of stand-upvoorstellingen, en tentoonstellingen of conferenties vallen hieronder.

Uitzonderingen blijven aan 6 procent

Het 6%-tarief blijft wel van toepassing op de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor (straat)theater, choreografie, circus, opera en klassieke muziek. Deze uitzonderingen worden verankerd in de herziene rubriek XXVIII van Tabel A bij het KB nr. 20.

De draagwijdte van de bestaande btw-vrijstellingen (artikel 44, §2, 7° en 9° WBTW) voor onder meer erkende culturele organisaties en instellingen zonder winstoogmerk blijft ongewijzigd. Het (ontwerp van) Verslag aan de Koning bevestigt de geldende administratieve interpretatie van de voorwaarden.

Impact voor lokale besturen en autonome gemeentebedrijven

De hervorming heeft bijzondere relevantie voor lokale besturen die via autonome gemeentebedrijven sportinfrastructuur exploiteren. In de Commissie voor Financiën en Begroting rees de vraag naar het precieze toepassingsgebied van de verhoging naar 12 procent voor sportactiviteiten die door deze bedrijven worden beheerd.

De minister van Financiën verduidelijkt dat de verhoging van het btw-tarief naar 12 procent enkel betrekking heeft op de toekenning van het recht op toegang tot sportinrichtingen, zoals toegangsgeld voor sportwedstrijden, en niet op het verschaffen van dranken in kantines. Voor die laatste categorie geldt integendeel een verlaging van het btw-tarief van 21 naar 12 procent voor niet-alcoholische dranken. De impact van de tariefhervorming voor sportclubs moet volgens minister Jambon dan ook worden genuanceerd.

Voor kleine amateurclubs kan bovendien de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van toepassing zijn. De minister wijst er in dat verband op dat de regering de intentie heeft om de vrijstellingsdrempel voor die kleineondernemingsregeling gradueel te verhogen van 25.000 naar 30.000 euro.

Veelgestelde vragen uit het parlement

Tijdens het debat in de Commissie voor Financiën en Begroting werden tal van praktische vragen opgeworpen omtrent de afbakening tussen cultuur en vermaak. Zo rees de vraag of stand-up comedy onder theater valt of eerder als vermaak moet worden beschouwd (volgens de ontwerpteksten 12% btw als vermaak). Eveneens werd de vraag gesteld of jazz onder klassieke muziek ressorteert, en hoe gemengde concerten met zowel jazz als klassieke muziek behandeld moeten worden. Ook de vraag of het Cirque du Soleil als circus geldt dan wel als een andere voorstellingsvorm, kwam ter sprake.

De vraag werd gesteld of kleine sportclubs en fitnesszalen die abonnementen hebben verkocht in 2025 met maandelijkse domiciliëring, het hogere btw-tarief zullen moeten toepassen op betalingen na 1 maart 2026, zelfs wanneer het contract in 2025 werd afgesloten. Dit zou betekenen dat deze clubs een verschil tussen de gefactureerde en de verschuldigde btw zelf moeten dragen.

Nog veel onduidelijkheid

Minister Jambon erkent dat er nog veel vragen zijn uit de praktijk. Hij geeft aan dat zijn beleidscel reeds tal van vragen van het middenveld heeft ontvangen en dat zijn administratie en beleidscel zeer intensief samenwerken om alle vragen te inventariseren en te beantwoorden. De minister kondigt aan dat na ontvangst van het advies van de Raad van State, dat hij binnen de kortst mogelijke tijd verwacht, zijn diensten de opdracht zullen krijgen om zo snel mogelijk een FAQ of circulaire te publiceren, teneinde de belastingplichtigen maximale duidelijkheid te verschaffen.

De minister benadrukt uitdrukkelijk dat de ontwerptekst van het koninklijk besluit momenteel voor advies bij de Raad van State voorligt en dat naar aanleiding van dat advies nog aanpassingen mogelijk zijn. De regering moet zich bovendien nog in tweede lezing over de tekst buigen. De antwoorden die de minister in de Commissie verstrekt, gelden dan ook onder dit uitdrukkelijk voorbehoud.

Besluit

Hoewel de ontwerpteksten de algemene lijnen van de btw-hervorming verduidelijken, bestaat er nog onduidelijkheid over de concrete interpretatie van specifieke situaties. De grens tussen cultuur en vermaak, de concrete interpretatie van de uitzonderingen die aan 6 procent btw onderworpen blijven, de behandeling van lopende contracten en de toepassing voor autonome gemeentebedrijven zijn slechts enkele van de vele vragen die verdere verduidelijking behoeven. Lokale besturen en hun partners worden geconfronteerd met een bijzonder korte implementatietermijn voor deze belangrijke wijzigingen.

GD&A Advocaten volgt als fiscale specialist voor lokale besturen deze materie nauwgezet op de voet. Wij organiseren op 12 februari 2026 een webinar waarin wij de nieuwe btw-regelgeving en de concrete impact voor lokale besturen grondig toelichten. Inschrijven kan via deze link.

Festina lente

Auteur(s):

Nathalie Wouters en Steven Michiels

Leave a Reply