Op 15 januari 2026 heeft het Hof van Cassatie een belangrijk arrest gewezen in een geschil tussen een belastingplichtige en de gemeente Knokke-Heist over de gemeentebelasting op tweede verblijven. Het Hof vernietigde het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 2 mei 2023, dat het belastingreglement buiten toepassing had verklaard wegens vermeende schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Dit arrest ondersteunt de financiële stabiliteit van kust- en andere gemeenten die een aanzienlijk deel van hun inkomsten halen uit de belasting op tweede verblijven.

Voorgeschiedenis

De zaak vindt haar oorsprong in een bezwaar van een eigenaar tegen de aanslag in de belasting op tweede verblijven. De gemeente Knokke-Heist had bij gemeenteraadsbesluit van 28 november 2019 een belastingreglement vastgesteld voor de periode van 1 januari 2020 tot 31 december 2025. Op grond van dit reglement werd een forfaitaire belasting geheven op onroerende goederen die niet als hoofdverblijfplaats werden gebruikt.

De Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, verklaarde bij vonnis van 14 december 2021 de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk doch ongegrond. De eerste rechter oordeelde dat de belasting kon worden verantwoord als een forfaitaire weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed en dat de niet-inschrijving in het bevolkingsregister een objectief en pertinent criterium vormt om te bepalen of een woongelegenheid bijdraagt tot de sociale cohesie binnen de gemeente. Voorts werd gewezen op de hogere kosten die gepaard gaan met een groot aantal tweedeverblijvers, onder meer voor veiligheid, onderhoud van het openbaar domein en culturele activiteiten.

Het arrest van het Hof van Beroep te Gent

In hoger beroep kwam het Hof van Beroep te Gent op 2 mei 2023 tot een andere conclusie. Het Hof oordeelde dat geen van de door de gemeente aangevoerde verantwoordingen het verschil in behandeling tussen inwoners en eigenaars van tweede verblijven kon rechtvaardigen. Het Hof achtte onder meer niet bewezen dat eigenaars van tweede verblijven daadwerkelijk meer kosten veroorzaken dan vaste inwoners. Het arrest hield de aanslag voor onwettig en beval de ontheffing ervan, met terugbetaling van het betaalde bedrag vermeerderd met moratoriumintresten.

Dit arrest zorgde voor ongerustheid bij tal van kustgemeenten, aangezien de belasting op tweede verblijven voor vele van hen een belangrijke inkomstenbron vormt.

De beslissing van het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie heeft het arrest van het Hof van Beroep te Gent vernietigd op grond van een onjuiste toepassing van de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Hof herhaalde dat een verschillende fiscale behandeling geoorloofd is wanneer daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Van essentieel belang is de overweging dat van de overheid niet kan worden gevergd dat zij het bewijs levert dat de verantwoording berust op zekere en vaststaande feiten. Het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat die verantwoording bestaat of kan bestaan.

Het Hof preciseerde voorts dat een belastingnorm die belastingplichtigen in een verschillende toestand beoogt, die verscheidenheid noodzakelijkerwijze moet opvangen in vereenvoudigde categorieën. De grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk afzonderlijk geval.

Concreet oordeelde het Hof dat het niet onredelijk is om aan te nemen dat een onroerend goed waarvoor geen inschrijving in het bevolkingsregister is genomen, in de regel een tweede onroerend goed betreft. De appelrechter had ten onrechte van de gemeente het bewijs geëist dat elke belastingplichtige een persoon met voldoende middelen is. Door aldus te oordelen, heeft het Hof van Beroep de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie miskend.

De zaak werd verwezen naar het Hof van Beroep te Antwerpen, dat zich opnieuw over de grond van de zaak zal moeten buigen, met inachtneming van de rechtsoverwegingen van het Hof van Cassatie.

Belang voor de praktijk

Dit arrest ondersteunt de lokale besturen in de uitoefening van hun fiscale autonomie. Het Hof van Cassatie bevestigt dat gemeenten bij het vaststellen van belastingreglementen een ruime beoordelingsbevoegdheid genieten en dat rechters zich dienen te beperken tot een marginale toetsing van de aangevoerde verantwoording. De feitenrechter mag zich niet op het terrein van de opportuniteit begeven, maar enkel op dat van de wetmatigheid.

Voor gemeenten die een belasting op tweede verblijven heffen, betekent dit arrest een belangrijke geruststelling. De rechtspraak wordt hiermee in lijn gebracht met de traditionele opvatting dat lokale fiscale keuzes in beginsel door de democratisch verkozen gemeenteraad worden gemaakt en dat de rechterlijke controle zich beperkt tot de vraag of die keuzes kennelijk onredelijk zijn.

Het resultaat ligt bovendien in lijn met onze consistente adviespraktijk aan kust- en andere gemeenten: een evenwichtig, objectief onderbouwd reglement inzake tweede verblijven houdt stand wanneer het wordt getoetst aan de grondwettelijke beginselen. Rouwengelen en onheilsprofeten hadden deze gemeentebelasting al ten grave gedragen, maar de feniks herrijst uit zijn as.

GD&A Advocaten kijkt als belangenbehartiger van lokale besturen tevreden naar dit arrest. Het bevestigt dat gemeenten hun legitieme beleidskeuzes mogen vertalen in fiscale maatregelen, zonder daarvoor een onmogelijke bewijslast te moeten dragen. Dit arrest draagt bij aan de rechtszekerheid en de financiële stabiliteit van de lokale besturen in Vlaanderen.

Voor meer informatie over dit arrest of over de fiscale bevoegdheden van lokale besturen kunt u contact opnemen met ons team Fiscaal recht.

Salus populi suprema lex esto.

Auteur(s):

Steven Michiels, Nathalie Wouters en Jill Verhoft

Leave a Reply