Op 25 februari 2026 heeft de Raad van State bij arrest nr. 265.833 het Uitvoeringsbesluit bij het Ontslagdecreet grotendeels vernietigd. Dit arrest vormt een nieuw en belangrijk sluitstuk in de juridische saga rond het ontslag van statutaire personeelsleden bij lokale en provinciale besturen. De gevolgen zijn verstrekkend: verschillende beschermingsmechanismen voor statutairen herleven, en besturen moeten hun personeelsbeleid hierop afstemmen. In deze newsflash lichten wij de draagwijdte van het arrest toe en gaan wij in op de concrete gevolgen voor uw bestuur.
De feiten: van Ontslagdecreet tot vernietiging Uitvoeringsbesluit
Het decreet van 16 juni 2023 tot wijziging van het Provinciedecreet en het Decreet over het Lokaal Bestuur — beter bekend als het “Ontslagdecreet” — schafte het beginsel van de vastheid van betrekking voor statutaire personeelsleden bij lokale en provinciale besturen de facto af door de ontslagregeling voor statutairen en contractuelen gelijk te schakelen. Ter uitvoering van dit Ontslagdecreet nam de Vlaamse Regering op 12 januari 2024 een Uitvoeringsbesluit aan dat onder meer het BVR RPR 2023 wijzigde en nadere regels vastlegde voor de beëindiging van het statutaire dienstverband.
Bij arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025 vernietigde het Grondwettelijk Hof het Ontslagdecreet integraal wegens schending van het standstill-beginsel overeenkomstig artikel 23 van de Grondwet. Het Hof oordeelde dat het vaste karakter van de betrekking een wezenlijk kenmerk is van het statutair ambt en dat de doelstelling tot modernisering niet kan verantwoorden dat dit karakter grotendeels wordt tenietgedaan doordat de mogelijkheid tot re-integratie wordt ontnomen. Om rechtsonzekerheid te vermijden werden de gevolgen van het Ontslagdecreet gehandhaafd tot de datum van het arrest, zijnde 5 juni 2025.
De verzoekende partijen — VZW Exello.net en VZW Vlaamse Lokale Financieel Directeurs — vorderden vervolgens bij de Raad van State de nietigverklaring van het Uitvoeringsbesluit wegens gebrek aan rechtsgrond. De Raad van State volgde deze redenering en oordeelde dat de vernietiging van het Ontslagdecreet door het Grondwettelijk Hof de rechtsgrond van het Uitvoeringsbesluit vitieert.
Wat werd vernietigd — en wat niet?
De Raad van State vernietigde de artikelen 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12 en 13 van het Uitvoeringsbesluit van 12 januari 2024. Het betreft de bepalingen die uitvoering gaven aan het Ontslagdecreet, met inbegrip van de opheffingsbepalingen en overgangsbepalingen.
De artikelen 1, 3 en 10 van het Uitvoeringsbesluit werden niet vernietigd en blijven onverkort van toepassing. Deze bepalingen hadden immers geen betrekking op het beëindigen van de hoedanigheid van statutair personeelslid en konden van de rest van het besluit worden afgesplitst. Concreet gaat het om een wijziging aan het BVR Functieclassificatie van 8 juli 2022 inzake de IF-IC-functieclassificatie (artikel 1) en de gedeeltelijke omzetting van de EU-richtlijn 2019/1158 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven (artikel 10).
Handhaving van de gevolgen tot en met 5 juni 2025
De Raad van State besliste — in lijn met het arrest van het Grondwettelijk Hof — om de gevolgen van de vernietigde bepalingen van het Uitvoeringsbesluit te handhaven tot en met 5 juni 2025. De motivering is helder: een vernietiging zonder meer zou tot aanzienlijke rechtsonzekerheid leiden, aangezien verscheidene lokale en provinciale besturen in de tussenperiode statutaire personeelsleden met toepassing van het Uitvoeringsbesluit hebben ontslagen.
Dit impliceert concreet dat in lopende procedures inzake het ontslag van statutaire personeelsleden op grond van het Ontslagdecreet — die dateren van na de inwerkingtreding van het Uitvoeringsbesluit — nog steeds rekening dient te worden gehouden met de bepalingen van het Uitvoeringsbesluit, althans voor zover het ontslag werd gegeven uiterlijk op 5 juni 2025. Ontslagbeslissingen genomen in de periode tussen de inwerkingtreding van het Uitvoeringsbesluit (11 februari 2024) en 5 juni 2025 worden aldus juridisch “afgedekt” door de handhavingsbeslissing.
Het herleven van cruciale beschermingsbepalingen
De vernietiging van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit heeft tot gevolg dat verschillende bepalingen van het BVR RPR 2007 en het BVR RPR 2010, die door het Uitvoeringsbesluit waren opgeheven, herleven. Dit is zonder twijfel één van de meest impactvolle gevolgen van het arrest.
Het betreft de volgende bepalingen:
- De artikelen 32 tot en met 38 van het BVR RPR 2007 inzake de proeftijd en evaluatie van de proeftijd van een statutair personeelslid herleven integraal.
- Eveneens herleven de artikelen 48 en 49 van het BVR RPR 2007 inzake evaluatieresultaten en de gevolgen van evaluatie.
- Voorts zijn de artikelen 99 en 100 van het BVR RPR 2007 betreffende de ambtshalve herplaatsing van een statutair personeelslid in dezelfde rang opnieuw van kracht.
- De artikelen 103 tot en met 105 van het BVR RPR 2007 inzake het verlies van de hoedanigheid van personeelslid en de artikelen 106 tot en met 108 van het BVR RPR 2007 inzake de definitieve ambtsneerlegging van het statutair personeelslid — met inbegrip van de opzegtermijn na ontslag wegens beroepsongeschiktheid — herleven eveneens.
Disponibiliteit wegens ambtsopheffing: het juridisch vacuüm is gedicht
Van bijzonder belang is het herleven van de artikelen 198 en 199 van het BVR RPR 2007 inzake de disponibiliteit wegens ambtsopheffing. Over deze kwestie bestond terecht de nodige ongerustheid bij lokale besturen. De vernietiging van het Ontslagdecreet én het wegvallen van artikel 23, §3/2, laatste lid BVR RPR 2023 — dat voorzag in de mogelijkheid tot ontslag wegens noodwendigheden voor de werking van het bestuur — dreigde immers een juridisch vacuüm te creëren voor situaties waarin de functie van een statutair personeelslid wordt afgeschaft.
Het herleven van de regeling inzake disponibiliteit wegens ambtsopheffing vult dit juridisch vacuüm op. Concreet houdt deze regeling in dat een statutair personeelslid van wie de functie wordt afgeschaft, in disponibiliteit wegens ambtsopheffing kan worden gesteld, waarbij het personeelslid aanspraken behoudt op een wachtgeld en het bestuur zich dient in te spannen om het personeelslid te herplaatsen. Lokale besturen die geconfronteerd worden met een reorganisatie of herstructurering beschikken aldus opnieuw over een sluitend juridisch kader om de positie van hun statutaire personeelsleden correct te regelen.
Wat betekent dit voor uw bestuur?
Ingevolge de volledige vernietiging van het Ontslagdecreet door het Grondwettelijk Hof is het beginsel van de vastheid van betrekking integraal herleefd. Dit impliceert dat de statutaire aanstelling per 6 juni 2025 slechts kan worden beëindigd in limitatief opgesomde gevallen voorzien in het Decreet Lokaal Bestuur, het BVR RPR 2023 en de lokale rechtspositieregeling. Met de vernietiging van het Uitvoeringsbesluit door de Raad van State wordt dit kader nu verder vervolledigd door het herleven van de eerdergenoemde bepalingen uit het BVR RPR 2007.
Besturen doen er goed aan hun rechtspositieregeling en personeelsbeleid in het licht van deze ontwikkelingen grondig te evalueren. In het bijzonder verdient het aanbeveling om na te gaan of de lokale rechtspositieregeling is afgestemd op de herleefde bepalingen inzake proeftijd, evaluatie, ambtshalve herplaatsing, verlies van hoedanigheid, definitieve ambtsneerlegging en disponibiliteit wegens ambtsopheffing.
Bij GD&A Advocaten begrijpen we als geen ander het belang van deze materie. Ons team staat dan ook steeds klaar om uw bestuur met kennis van zaken bij te staan.