De hervormingen binnen het omgevingsrecht staan niet stil. Terwijl de toekomstige aanpassingen aan de vergunningsprocedure stilaan een feit worden, wordt parallel gesleuteld aan het Gemeentewegendecreet. Ingevolge recente ontwerpteksten werden deze aanpassingen voorgelegd aan SARO, die hierover een (voorzichtig) positief advies heeft afgeleverd. De lokale besturen dienen zich echter te wapenen: zowel voor de op heden aanwezige complexiteit als voor de aankomende verandering.

Context

Zoals aangekondigd in onze meest recente nieuwsbrief over dit thema (23 juli 2026), wenst de Vlaamse regering enkele ingrijpende wijzigingen door te voeren in het Gemeentewegendecreet met o.a. het oog op het optimaliseren van de vergunningsprocedure(s) en het verzekeren van de robuustheid van de verleende vergunningen.

De Vlaamse regering keurde daartoe op 17 juli 2026 voor de eerste maal een ontwerptekst goed, waarbij deze tekst vervolgens aan de diverse adviesraden voorgelegd zou worden.

Op 26 augustus 2026 bracht de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed (kortweg SARO) haar advies uit over de geplande wijzigingen aan het Gemeentewegendecreet, welke gepubliceerd werd op 1 september.

Visie SARO: voorzichtig optimistisch

SARO meent dat de voorgestelde hervormingen aan het Gemeentewegendecreet een noodzakelijke doch gevoelige herschikking inhouden van de rechten, actoren, bevoegdheden en instrumenten die op heden beschikbaar zijn. Waarbij de erkenning van de nagestreefde vereenvoudiging/stroomlijning alvast welkom onthaald wordt.

Niettegenstaande benadert SARO de hervormingen vanuit vier ankerpunten: een duidelijke bevoegdheidsverdeling, toereikende rechtsbescherming, duidelijke regeling van het statuut en een evenwichtige behandeling van eigendomsrechten.

Wat de bevoegdheidsverdeling betreft, meent SARO dat er enkele onduidelijkheden resteren in de ontwerptekst. Zo is het niet duidelijk welk orgaan bevoegd is (of zal zijn) om toestemming te verlenen voor tijdelijke wijzigingen die geen rooilijnprocedure vereisen. Binnen SARO heerst hierover een dubbele visie: sommigen willen de exclusieve beslissingsrol van de gemeenteraad behouden, anderen steunen een verdere integratie in de omgevingsvergunningsprocedure om dubbele trajecten en blokkeringen te vermijden.

Wat de rechtsbescherming betreft, uit SARO enkele bedenkingen aangaande de voorgenomen hervormingen. Zo menen zij dat er een zekere ‘fair play’ in acht genomen moet worden bij de publicatie van definitieve goedkeuringsbesluiten: een loutere publicatie in het Belgisch Staatsblad en de gemeentelijke website zal burgers onvoldoende informeren. Bovendien zijn er ook bedenkingen bij het afschaffen van de administratieve beroepsprocedure bij de reguliere rooilijnprocedure: er treedt immers een verlies op van een relatief eenvoudige procedurele mogelijkheid voor burgers om een externe administratieve controle te verkrijgen.

Daarnaast zijn er enkele bezorgdheden aangaande de voorgestelde wijzigingen aan contractuele gemeentewegen, waarbij dit instrument geschrapt wordt en vervangen wordt door ‘klassieke privaatrechtelijke instrumenten’. SARO uit haar bezorgdheid over de verhouding van dergelijke instrumenten tot het statuut als gemeenteweg, wat niet duidelijk geregeld lijkt te zijn.

Tot slot wordt er bij het verdwijnen van het vergoedingsmechanisme opgemerkt dat in de toelichtende stukken toegelicht moet worden op welke wijze getroffen eigenaars een compensatie kunnen verkrijgen – aangezien dit onduidelijk gelaten wordt. Hetgeen in de toekomst (wellicht) tot bijkomende discussies zal leiden.

Voorziene hervormingen: impact voor lokale besturen

SARO uit zich, ondanks de geformuleerde bezorgdheden, optimistisch uit over de voorgestelde hervormingen en beperkt – in grote mate – diens opmerkingen tot het formuleren van verduidelijkingen, veeleer dan dat er kritiek geleverd wordt tegen de aanpassingen zelf.

Voor lokale besturen bieden deze hervormingen ook meer opties: zo wordt de contractuele vrijheid opnieuw versterkt, krijgen lokale besturen meer vrijheid bij het realiseren van gemeentewegen en botsen zij op minder procedurele hindernissen (zoals de minwaardeberekening). Waarbij de kern, zijnde het statuut van een gemeenteweg, in grote mate ongewijzigd blijft.

Zo blijven de bestaande vrijheden, zoals de mogelijkheid tot het overeenkomen van een erfdienstbaarheid (om grondverwerving te vermijden), de mogelijkheid van het opstellen van een beheersovereenkomst, en de daarin aanwezige vrijheden (bv. een toegankelijkheidsregeling) nog steeds aanwezig.

In welke mate vereenvoudigde procedures ook zullen leiden tot een vereenvoudiging van het bekomen van het gewenste resultaat (de aanpassing aan het gemeentelijk wegennet) is op heden echter onduidelijk – minstens te voorbarig. In de mate de aanwezige en vastgestelde onduidelijkheden geoptimaliseerd worden, lijken de hervormingen hun doelstelling(en) te kunnen behalen, doch neemt dit niet weg dat er in de huidige versie enkele elementen opgenomen worden die (bij aanvang) tot enige onduidelijkheid zullen leiden.

Toename belang bemiddelingsgerichte aanpak: communicatie en besprekingen staan centraal

De hervorming en de kritische noten van SARO maken duidelijk dat toekomstige discussies niet alleen over het bestaan of de ligging van een gemeenteweg zullen gaan, maar vooral over de manier waarop het algemeen belang zich verhoudt tot concrete private belangen. De opheffing of verlegging van een gemeenteweg, evenals de kosteloze opname van een pad in het openbaar domein na dertig jaar gebruik, kan immers rechtstreeks ingrijpen op het eigendomsrecht, terwijl tegelijk van het lokaal bestuur wordt verwacht dat het de publieke mobiliteit, de verkeersveiligheid en de ruimtelijke samenhang bewaakt.

Een tweede spanningsveld betreft de ontsluiting en bereikbaarheid van percelen. Tracéwijzigingen kunnen de feitelijke toegang tot woningen, landbouwgronden of bedrijfspercelen beïnvloeden, ook wanneer de expliciete toets van de “ontsluiting van de aangrenzende percelen” uit artikel 4 GWD verdwijnt. Voor lokale besturen betekent dit dat de gevolgen voor gebruikers en aangelanden niet louter vanuit het geplande tracé of het formele dossier mogen worden beoordeeld, maar dat ook de concrete bereikbaarheid en de continuïteit van het gebruik in kaart moeten worden gebracht.

Daar komt bij dat de hervorming het gewicht van de feitelijke toestand en van de beschikbare registratie-instrumenten vergroot: met minder rooilijnplannen zullen feitelijke weggrenzen, grafische plannen en het wegenregister een grotere rol spelen, terwijl over de exacte ligging van trage wegen onzekerheid kan blijven bestaan. Ten slotte kan ook het vertrouwen in de procedure onder druk komen te staan, wanneer het administratief beroep vervalt en de weg naar de rechter voor burgers minder laagdrempelig wordt of wanneer de wijze waarop beslissingen worden bekendgemaakt als onvoldoende duidelijk wordt ervaren. Juist in die context is een transparante dialoog aangewezen, niet alleen om informatie uit te wisselen, maar ook om de resterende onzekerheden tijdig zichtbaar te maken en bestuurlijk hanteerbaar te houden.

In al deze situaties is een zero‑sum aanpak (één formele winnaar, één verliezer) juridisch mogelijk, maar zelden duurzaam. Bemiddeling en bemiddelingsgericht werken bieden uw bestuur alternatieve sporen.

4.1. Proactieve bemiddeling vóór de formele besluitvorming

Bij toekomstige opheffingen of verleggingen van gemeentewegen kan uw bestuur daarom al vóór de voorlopige vaststelling van een grafisch plan of rooilijnplan een gerichte dialoog opstarten met aangelanden, gebruikers en nutsbeheerders. Een dergelijk gesprek laat toe om vroegtijdig zicht te krijgen op feitelijke toegangen, gebruikspatronen en technische afhankelijkheden, maar ook om alternatieve tracés, bijkomende ontsluitingen of compenserende ingrepen te onderzoeken voordat de formele besluitvorming de ruimte voor bijsturing verkleint.

Daarnaast kunnen in dit stadium afspraken worden verkend over het beheer, het onderhoud en het gebruik van de betrokken verbinding, in het bijzonder wanneer het gaat om een trage weg of een weg die in de praktijk een publiek gebruik kent. Zulke afspraken nemen de formele bevoegdheid van het bestuur niet weg, maar kunnen wel verduidelijken welke verwachtingen over toegankelijkheid, onderhoud en verantwoordelijkheid bestaan en voorkomen dat een technisch of juridisch geschil uitgroeit tot een principieel conflict.

Proactieve bemiddeling reduceert zo de kans op zwaar geladen bezwaren tijdens het openbaar onderzoek en op latere beroepen, omdat betrokkenen niet pas worden geconfronteerd met een uitgewerkt plan wanneer de belangrijkste keuzes al zijn gemaakt. Bovendien sluit deze aanpak aan bij SARO’s nadruk op transparante afwegingen en een duidelijke motivering: het bestuur kan niet alleen het uiteindelijke besluit, maar ook de wijze waarop alternatieven, belangen en praktische gevolgen zijn onderzocht, overtuigend(er) toelichten.

4.2. Onderhandelde oplossingen rond impact en compensatie

Nu het decreet de min- en meerwaarderegeling schrapt, zullen discussies over de gevolgen van een ingreep vaker verschuiven naar maatwerk en naar de vraag hoe de impact voor de betrokken eigenaar op een evenwichtige manier kan worden opgevangen. Een beperkte onteigening kan daarbij worden gecombineerd met contractuele rechten, zoals een erfdienstbaarheid, opstal of erfpacht, maar ook met aangepaste ontwikkelingsmogelijkheden elders of met een financiële tegemoetkoming. Daarnaast kan het aangewezen zijn om afspraken te maken over de fasering, zodat duidelijk is wanneer welk deel van de weg wordt gerealiseerd, aangepast of opgeheven en de eigenaar zijn gebruik, investeringen of bedrijfsvoering daarop kan afstemmen.

Voor lokale besturen ligt de meerwaarde van een bemiddelingskader erin dat deze opties niet als losstaande tegemoetkomingen worden benaderd, maar in samenhang kunnen worden onderzocht. Zo kan worden nagegaan welke oplossing technisch en juridisch uitvoerbaar is, welke gevolgen zij heeft voor de publieke functie van de weg en op welke wijze zij de concrete belangen van de eigenaar het meest doeltreffend verzoent met de beleidsdoelstellingen van het bestuur.

Cruciaal is dat samen met de betrokken eigenaar wordt onderzocht of de maatregel in zijn concrete uitwerking een buitensporige last vormt en welk combinatiepakket van maatregelen voor beide partijen aanvaardbaar is. Dat vergt meer dan een abstracte afweging van eigendomsrecht tegenover algemeen belang: ook de feitelijke toegang, de economische of gebruikswaarde van het perceel, de timing van de ingreep en de beschikbare alternatieven moeten worden betrokken. Een dergelijke onderhandeling kan het bestuur toelaten een proportionele oplossing te formuleren zonder dat het geschil meteen uitmondt in procedures voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen of de Raad van State.

GD&A & Bemiddeling in wegenisdossiers – seminarie in aantocht

Hoewel de besproken hervormingen momenteel nog als toekomstmuziek klinken, zijn we er ons van bewust dat ook in het huidige wetgevende kader onduidelijkheden, interpretatiediscussies en complexe procedurele vraagstukken zich opdringen.

Een efficiënte navigatie door de talrijke procedurele en complexe verhoudingen is vereist om het beoogde eindresultaat te bereiken: het realiseren van een wegenproject. Waarbij een bemiddelingsgerichte benadering en/of aanpak in deze een bijzondere meerwaarde biedt.

Wilt u zelf dieper duiken in deze materie met concrete kennis en praktische handvaten over dit thema? Schrijf u dan in voor onze seminaries “De zachte omleiding: bemiddeling als alternatieve route in gemeentelijke wegenprojecten” op donderdag 24 september 2026 van 13u00 -16u00 in Lokeren en op dinsdag 29 september 2026 van 13u00-16u00 in Hechtel-Eksel.

Inschrijven kan via de navolgende linken op onze website:

Meer info over de volledige agenda van het GD&A Lyceum vindt u tevens via onze website: https://gdena-advocaten.be/lyceum/

Auteur(s):

Dylan Vercammen en Jory Brabants D’Hooghe

Leave a Reply