Op 20 maart 2026 verscheen in het Belgisch Staatsblad cruciale regelgeving die de komende jaren een fundamentele impact zal hebben op het lokaal woonbeleid in Vlaanderen. Het gaat om het Decreet van 27 februari 2026 tot wijziging van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, dat een nieuw bindend sociaal objectief introduceert voor de periode 2026-2042. Deze nieuwe regelgeving brengt aanzienlijk strengere verplichtingen, een nieuw sanctiemechanisme en concrete evaluatiemomenten met zich mee. Voor lokale besturen betekent dit een ongeziene verschuiving in verantwoordelijkheid, waarbij niet-naleving direct financieel voelbaar wordt.

 De contouren van het nieuwe BSO

Tegen 2042 moeten Vlaamse gemeenten samen 50.000 bijkomende sociale huurwoningen realiseren. Van dit totaal bestaat 45.000 woningen uit een verplicht aandeel dat over alle gemeenten wordt verdeeld, aangevuld met 5.000 woningen voor gemeenten die méér willen doen. De verdeling over de gemeenten gebeurt volgens een complexe formule die rekening houdt met het aandeel sociale huur op peil houden tegenover huishoudensprognoses, historische inspanningen, de wettelijke doelgroep en eventuele vrijstellingen.

Concrete cijfers maken duidelijk wat dit betekent. Enkele voorbeelden uit het nieuwe uitvoeringsbesluit van 5 juni 2026 tonen de omvang. Leuven moet 1.410 bijkomende sociale huurwoningen realiseren, waarvan 225 tussen 2026 en 2030, 332 tussen 2031 en 2036, en 421 tussen 2037 en 2042. Sint-Niklaas krijgt een objectief van 882 woningen opgelegd, verspreid over 203 woningen voor 2026-2030, 300 voor 2031-2036 en 379 voor 2037-2042. Grimbergen moet 622 sociale huurwoningen realiseren, Aalst 976 en Antwerpen 579. Ook kleinere gemeenten krijgen aanzienlijke doelstellingen. Affligem bijvoorbeeld moet 159 woningen realiseren, waarvan een specifieke inhaalbeweging van 106 woningen omdat het vorige BSO niet werd gehaald.

Die specifieke inhaalbeweging geldt voor alle gemeenten die het vorige BSO 2009-2025 niet behaalden en moet versneld worden uitgevoerd, met een helft effectief gerealiseerd tegen eind 2036.

Groeipad en evaluatiemomenten

De nieuwe regeling hanteert een gedetailleerd groeipad dat gemeenten moeten volgen. Elk jaar wordt van Vlaanderen verwacht dat het aantal sociale huurwoningen stapsgewijs toeneemt, beginnend met 2.164 bijkomende woningen in 2026, oplopend tot 3.873 in 2042, voor een totaal van 50.000.

De voortgang wordt om de drie jaar getoetst, te beginnen in 2028. Bij elke evaluatie worden strenge vereisten gesteld over hoeveel woningen minstens gerealiseerd moeten zijn of opgenomen in de kortetermijn- of meerjarenplanning.

Gemeenten die het groeipad volgen, worden ingedeeld in categorie 1. Gemeenten die het groeipad niet volgen, komen voorlopig in categorie 2 en moeten vervolgens een plan van aanpak indienen.

Sanctiemechanisme met financiële gevolgen

Het nieuwe BSO introduceert een verregaand sanctiemechanisme. Gemeenten in categorie 2 die hun inspanningen moeten aantonen, worden op basis van hun plan van aanpak verder onderverdeeld. Wie voldoende inspanningen levert, komt in categorie 2A. Wie geen plan van aanpak indient of onvoldoende inspanningen levert, wordt ingedeeld in categorie 2B en wordt geacht kennelijk onvoldoende inspanningen te leveren om het BSO te bereiken.

Voor gemeenten in categorie 2B volgt een financiële bijdrage per niet-gerealiseerde sociale huurwoning. Die bijdrage is gelijk aan de maximale huurpremie (118,10 euro of in sommige gemeentes zelfs 206,91 euro) vermenigvuldigd met twaalf, dus de jaarlijkse huurpremie per woning (2.257,20 euro of zelfs 2.482,92 euro). De hoogte van de bijdrage hangt af van het jaartal van de voortgangstoets: bij de voortgangstoets in 2028 wordt bijvoorbeeld de bijdrage voor 25% aangerekend.

Deze bijdrage moet gedurende drie opeenvolgende jaren worden betaald. De opbrengsten worden toegewezen aan het Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen, beheerd door Vlabinvest. De boete weerspiegelt de maatschappelijke kost die Vlaanderen draagt om de gevolgen van ontoereikend sociaal woonaanbod in de gemeente deels op te vangen via huurpremies.

Gemeenten moeten aantoonbare inspanningen leveren. Dit betekent ofwel dat het vooropgestelde sociaal woonaanbod volledig kan worden gerealiseerd door sociale woonorganisaties of openbare besturen op eigen gronden, ofwel dat de gemeente het beschikbare instrumentarium regelmatig aanwendt en minimaal prestatieniveaus bereikt. Dat instrumentarium omvat onder meer het afstemmen van de bestaande gemeentelijke plannen en reglementen op het gemeentelijk objectief, het opmaken en uitvoeren van een actieprogramma voor onbebouwde gronden van Vlaamse besturen, en het aanwenden van minstens 25 procent van die gronden voor sociaal wonen.

Gemeenten worden bovendien beoordeeld op minstens één van acht prestatievelden, waaronder het beschikken over een ruimtelijk uitvoeringsplan met aandacht voor sociaal woonaanbod, een actief voorkoopbeleid, een stedenbouwkundige verordening over sociaal wonen, aankoop van private gronden, aanwending van het lokaal woonoverleg, leegstandsbeleid, sociaal beheersrecht en een visie op sociaal wonen.

Proceduretijdslijnen en rechtsbescherming

Het wijzigingsdecreet van 27 februari 2026 werd op 20 maart 2026 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Tegen dit decreet kan beroep worden ingesteld bij het Grondwettelijk Hof binnen zes maanden na publicatie, dus tot 19 september 2026. Het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2026, dat de definitieve gemeentelijke BSO-cijfers en groeipaden vastlegt werd  op het moment van schrijven nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Vanaf de publicatie van dit besluit loopt een beroepstermijn van zestig dagen bij de Raad van State.

Gemeenten die een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van hun specifieke inhaalbeweging wensen, moeten dit uiterlijk op 1 juli 2026 aanvragen. Deze aanvraag is mogelijk indien de gemeente aantoont dat de inhaalbeweging niet of niet volledig kan worden gerealiseerd wegens manifeste ruimtelijke beperkingen die niet kunnen worden opgevangen, of indien de som van het gemeentelijk objectief en de inhaalbeweging op jaarbasis hoger is dan 25 procent van het gemiddeld aantal vergunde woningen per jaar over de voorbije tien jaar.

Elke gemeente moet samen met een woonmaatschappij vóór 1 december 2026 een verplichte overeenkomst sluiten met een strategie voor de realisatie van het gemeentelijk BSO. Indien gewenst kunnen gemeenten met de woonmaatschappij en de Vlaamse Regering een driepartijenovereenkomst afsluiten om de gemeentelijke objectieven binnen het werkingsgebied van de woonmaatschappij te herverdelen, mits elke gemeente minstens 25 procent van het door de Vlaamse Regering vastgelegde objectief zelf uitvoert.

Tempus fugit

De nieuwe BSO-regelgeving markeert een fundamentele koerswijziging in het Vlaamse woonbeleid. Waar het vorige BSO eerder als ambitie gold, fungeert het nieuwe kader als juridisch afdwingbare verplichting met reële financiële consequenties. De tijd voor vrijblijvendheid is definitief voorbij.

Lokale besturen staan voor strakke groeipaden, driejaarlijkse voortgangstoetsen en een sanctiemechanisme dat uitstel geen optie meer maakt. De komende maanden zijn cruciaal. Tot 19 september 2026 kan beroep worden ingesteld tegen het decreet, tot 1 juli 2026 kunnen vrijstellingsaanvragen worden ingediend, en tegen 1 december 2026 moeten overeenkomsten met woonmaatschappijen zijn afgesloten. Wie nu niet handelt, zal de komende zestien jaar de gevolgen dragen.

Vigilantia pretium libertatis est. Waakzaamheid is de prijs van vrijheid, maar in dit geval is het vooral de prijs van budgettaire zekerheid. Bij GD&A Advocaten begrijpen we als geen ander het belang van deze materie. Ons team staat dan ook steeds klaar om uw bestuur met kennis van zaken bij te staan.

***

Bij GD&A Advocaten volgen we deze evolutie op de voet. Vanuit onze ervaring met gemeentelijk woonbeleid begeleiden wij lokale besturen bij de concrete toepassing van het nieuwe BSO-kader: van de inzet van het beschikbare instrumentarium en de opmaak van actieprogramma’s tot de voorbereiding van overeenkomsten met woonmaatschappijen en driepartijenovereenkomsten. Zo helpen wij uw gemeente niet alleen om aan de nieuwe verplichtingen te voldoen, maar ook om tijdig, strategisch en juridisch onderbouwd te handelen.

Auteur(s):

Alisa Konevina

Leave a Reply