Met circulaire 2026/C/81 van 3 september 2026 zet de btw-administratie een definitief punt achter de emanatietheorie. Vanaf 1 januari 2027 kunnen opdrachthoudende verenigingen hun prestaties niet langer buiten de btw houden op grond van de fictie dat zij handelen als verlengstuk van hun leden. Toch hoeft deze koerswijziging niet noodzakelijk tot een hogere btw-kost te leiden. De administratie opent tegelijk nadrukkelijk de deur naar artikel 6 WBTW en bevestigt bovendien de mogelijke toepassing van de vrijstelling voor zelfstandige groeperingen, beter bekend als kostendelende verenigingen.
Van Digipolis naar een nieuwe administratieve doctrine
In onze vorige nieuwsbrief over de btw-plicht van opdrachthoudende verenigingen bespraken wij het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 25 februari 2026 in de zaak T-575/24, Belgische Staat/FOD Financiën tegen Digipolis Antwerpen AG en District09 AG. Het Gerecht oordeelde dat een opdrachthoudende vereniging die zelfstandig een economische activiteit uitoefent en tegen vergoeding telematicadiensten en computerapparatuur aan haar leden verstrekt, in beginsel btw-belastingplichtig is. De btw-hoedanigheid van de afzonderlijke leden verandert daar niets aan.
Dat de bijdragen slechts de werkingskosten dekken, de vereniging geen winst nastreeft en de bijdragen vooraf forfaitair worden vastgesteld, verhindert niet dat sprake is van handelingen onder bezwarende titel. Ook een beheersoverdracht neemt de zelfstandigheid niet zonder meer weg wanneer de vereniging beschikt over eigen statuten, organen, vermogen, begroting en personeel.
Daarmee viel de juridische grond onder de emanatietheorie weg. Die administratieve tolerantie behandelde prestaties van de vereniging aan haar deelnemers als prestaties “aan zichzelf”. Volgens het Gerecht voerde die fictie echter een geval van niet-belastingplicht in waarin de artikelen 11 en 13 van Richtlijn 2006/112/EG niet voorzien.
Artikel 6 WBTW komt in beeld
De nieuwe circulaire trekt daaruit de verwachte conclusie: de emanatietheorie is niet langer verdedigbaar. Voortaan moet voor iedere intercommunale vereniging en ieder intergemeentelijk samenwerkingsverband, met of zonder beheersoverdracht, worden onderzocht of het zelf kwalificeert als publiekrechtelijk lichaam in de zin van artikel 6, eerste lid WBTW. Die beoordeling betreft dus niet alleen opdrachthoudende verenigingen, maar ook interlokale verenigingen, projectverenigingen en dienstverlenende verenigingen.
Dat is meer dan een louter technische correctie. Circulaire AAFisc nr. 42/2015 sloot openbare lichamen die “bij wijze van vereniging” tot stand waren gebracht voordien uit van artikel 6 WBTW. Circulaire 2026/C/81 heft het betrokken randnummer 5 op. Daardoor wordt het administratieve toepassingsgebied van artikel 6 als het ware verruimd en ontstaat voor bepaalde verenigingsstructuren een nieuwe vrijstellingsmogelijkheid.
Een opdrachthoudende vereniging die vroeger op de emanatietheorie steunde, kan voortaan mogelijk in eigen hoofde onder artikel 6 WBTW vallen. Zij is dan in beginsel geen btw-belastingplichtige voor werkzaamheden die zij als overheid verricht. Dat veronderstelt wel dat zij daadwerkelijk als publiekrechtelijk lichaam kwalificeert en optreedt binnen een specifiek publiekrechtelijk juridisch regime, niet onder dezelfde juridische voorwaarden als een particuliere marktdeelnemer.
Artikel 6, tweede lid WBTW herstelt de belastingplicht evenwel wanneer niet-belastingheffing tot concurrentieverstoring van enige betekenis leidt. Voor de werkzaamheden opgesomd in artikel 6, derde lid geldt bovendien belastingplicht zodra zij niet van onbeduidende omvang zijn. Het arrest-Digipolis illustreert het risico: telematicadiensten kunnen ook door private marktdeelnemers worden aangeboden en werden niet verricht met bevoegdheden van openbaar gezag.
De kostendelende vereniging als alternatief
Ook wanneer artikel 6 WBTW geen oplossing biedt, is btw-heffing niet noodzakelijk het eindresultaat. De circulaire vermeldt uitdrukkelijk de mogelijke toepassing van artikel 44, §2bis WBTW, de vrijstelling voor zelfstandige groeperingen van personen.
Deze figuur kan bijzonder relevant zijn voor opdrachthoudende verenigingen die rechtstreeks noodzakelijke ondersteunende diensten verrichten voor leden met vrijgestelde activiteiten of activiteiten waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. De Unierechtelijke grondslag ligt in artikel 132, lid 1, f) van de btw-richtlijn. De kostendelende vereniging is echter geen nieuwe emanatietheorie: zij werkt als een gerichte vrijstelling en vereist een toetsing van de wettelijke voorwaarden per activiteit, dienstverlening en ledenkring.
Tijd voor een gerichte btw-doorlichting
De nieuwe regeling moet uiterlijk vanaf 1 januari 2027 worden toegepast. Op die datum worden de aanschrijvingen nr. 148/1971 en nr. 6/1975 en beslissing nr. E.T.111.703 van 6 september 2006 opgeheven. Voor de voorafgaande periode belooft de administratie geen kritiek te formuleren wanneer de emanatietheorie correct en overeenkomstig haar toenmalige voorwaarden werd toegepast.
***
Bij GD&A Advocaten begrijpen we als geen ander het belang van deze materie. Ons team staat dan ook steeds klaar om uw bestuur met kennis van zaken bij te staan.
Meer info? Contacteer
Steven Michiels
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be
Nathalie Wouters
t 015/40 49 40 of nathalie.wouters@gdena-advocaten.be