Op 25 februari 2026 heeft het Gerecht van de Europese Unie (Prejudiciële kamer) uitspraak gedaan in zaak T-575/24, naar aanleiding van een prejudiciële verwijzing door het hof van beroep Antwerpen van 11 oktober 2024. De zaak betreft een geschil tussen de Belgische Staat/Federale Overheidsdienst Financiën enerzijds en de rechtsopvolgers van een opdrachthoudende vereniging anderzijds. Het Gerecht beoordeelt of een opdrachthoudende vereniging die in het kader van een beheersoverdracht telematicadiensten verricht aan haar leden, aan btw is onderworpen, en of de Belgische emanatietheorie hieraan kan afdoen. Het arrest heeft potentieel verstrekkende gevolgen op de btw-positie van opdrachthoudende verenigingen die in het kader van een beheersoverdracht diensten verrichten aan hun leden.

De opdrachthoudende vereniging en de emanatietheorie

De betrokken opdrachthoudende vereniging (hierna: “de vereniging”) was een publieke rechtspersoon, opgericht als opdrachthoudende vereniging met rechtspersoonlijkheid en beheersoverdracht, overeenkomstig het decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking van 6 juli 2001. Stichtende leden waren enkele lokale besturen en hun respectieve OCMW’s. Het maatschappelijk doel was het beheer, de exploitatie, de ontwikkeling en de promotie van telematica en haar toepassingen. Na een statutenwijziging konden ook extern verzelfstandigde agentschappen van de stichtende leden toetreden tot de vereniging, een aantal extern verzelfstandigde agentschappen van de stichtende leden (de zogenaamde “toegetreden leden”). De vereniging verrichtte telematicadiensten en daaraan gerelateerde leveringen van computerapparatuur aan zowel leden als niet-leden.

Na een belastingcontrole stelde de Belgische btw-administratie zich op het standpunt dat de vergoedingen en bijdragen aangerekend aan de toegetreden leden aan btw moesten worden onderworpen. Volgens de administratie kwalificeerden de toegetreden leden als belastingplichtigen in de zin van artikel 4 van het Belgische btw-wetboek en vielen zij, anders dan de stichtende leden die onder artikel 6 van het btw-wetboek ressorteerden, niet onder de emanatietheorie. Er werden processen-verbaal opgesteld en vorderingen tot betaling van btw, geldboeten en interesten geformuleerd. Gelet op het standpunt van de btw-administratie heeft de vereniging vervolgens voor de volgende jaren btw afgedragen op de vergoedingen aangerekend aan de toegetreden leden en in de btw-aangiften van november en december 2020 om terugbetaling van de afgedragen btw verzocht, wat door de administratie bij beslissing van 24 februari 2021 niet werd ingewilligd.

De emanatietheorie is een Belgische administratieve tolerantie, in het leven geroepen middels de aanschrijvingen nr. 148/1971 van 5 oktober 1971 en nr. 6/1975 van 27 februari 1975. Deze theorie houdt in dat abstractie wordt gemaakt van het feit dat de activiteit door de opdrachthoudende vereniging wordt uitgeoefend. Vanuit btw-oogpunt wordt de activiteit geacht te zijn uitgeoefend door de deelnemers zelf. Prestaties verricht door de opdrachthoudende vereniging voor haar deelnemers worden bijgevolg geacht “prestaties aan zichzelf” te zijn, die in beginsel niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen. De btw-administratie aanvaardde de toepassing van deze theorie ten aanzien van de stichtende leden (publiekrechtelijke lichamen onder artikel 6 btw-wetboek), maar weigerde dit voor de toegetreden leden (belastingplichtigen onder artikel 4 btw-wetboek).

De prejudiciële vragen

In hoger beroep heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling geschorst en het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen gesteld. De eerste vraag luidde of de artikelen 2, 9 en 13 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “btw-richtlijn”) en het neutraliteitsbeginsel worden geschonden indien de emanatietheorie wordt toegepast, waardoor er geen btw verschuldigd is op diensten van de opdrachthoudende vereniging aan haar deelnemers. De tweede vraag betrof of ter zake een onderscheid moet worden gemaakt tussen deelnemers in de zin van artikel 13 van de btw-richtlijn en deelnemers in de zin van de artikelen 9 en 132 van de btw-richtlijn. Het Hof van Justitie heeft het verzoek op 8 november 2024 doorverwezen naar het Gerecht overeenkomstig artikel 50 ter van het Statuut.

Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht behandelt de beide vragen samen en doorloopt een systematische toetsing. Allereerst gaat het Gerecht na of de activiteiten van een opdrachthoudende vereniging als de vereniging ten behoeve van haar leden een levering van goederen of verrichting van diensten onder bezwarende titel vormen in de zin van artikel 2, lid 1, onder a) en c), van de btw-richtlijn. Het Gerecht stelt vast dat de vereniging van haar leden betalingen ontving als tegenprestatie voor telematicadiensten en daaraan gerelateerde leveringen van computerapparatuur, waarmee zij haar kosten kon dekken. Noch het feit dat de betalingen slechts dienden om de werkingskosten te dekken zonder winstoogmerk, noch de omstandigheid dat de bijdragen vooraf en forfaitair werden vastgesteld, staat eraan in de weg dat deze handelingen als “onder bezwarende titel” worden aangemerkt.

Vervolgens beoordeelt het Gerecht of de vereniging zelfstandig een economische activiteit uitoefende in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn. Wat de duurzaamheid betreft, stelt het Gerecht vast dat de vereniging overeenkomstig haar statuten en het decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking voor een periode van 18 jaar was opgericht en gedurende die gehele periode betalingen van haar leden heeft ontvangen, zodat haar activiteiten duurzaam van aard waren. Ten aanzien van het criterium “tegen vergoeding” overweegt het Gerecht dat de activiteiten op het gebied van telematica ook door particuliere marktdeelnemers kunnen worden verricht en dat de bijdragen de kosten van de vereniging dekten. Hoewel de voorwaarden waaronder de vereniging haar activiteiten uitoefende niet op alle punten identiek waren aan die van een particuliere marktdeelnemer, vertoonden zij volgens het Gerecht voldoende overeenstemming om de activiteit als een tegen vergoeding verrichte activiteit te kunnen aanmerken.

Met betrekking tot de zelfstandigheid stelt het Gerecht vast dat de vereniging, ook al oefende zij haar activiteiten uit in het kader van een bevoegdheidsoverdracht door haar leden, een van die leden onafhankelijke publieke rechtspersoon was met eigen statuten, zetel, organen, kapitaal, vermogen, begroting en werknemers. Uit deze omstandigheden komt naar voren dat de vereniging geen interne structuur van haar leden was, maar over een voldoende organisatorische vrijheid beschikte. Het Gerecht concludeert dat de vereniging haar activiteiten zelfstandig uitoefende en voldeed aan de voorwaarden om als belastingplichtige te worden aangemerkt.

De uitzondering voor publiekrechtelijke lichamen

Het Gerecht toetst vervolgens of artikel 13, lid 1, van de btw-richtlijn, dat een uitzondering vormt op de algemene regel inzake belastingplicht, tot gevolg kan hebben dat een opdrachthoudende vereniging als de vereniging niet als belastingplichtige wordt aangemerkt. Het Gerecht stelt vast dat de vereniging als publieke rechtspersoon in de vorm van een opdrachthoudende vereniging lijkt te voldoen aan de definitie van een publiekrechtelijk lichaam in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn. De tweede voorwaarde van die bepaling vereist echter dat het publiekrechtelijk lichaam als overheid handelt, wat het geval is wanneer het gebruik maakt van bevoegdheden van openbaar gezag. Het Gerecht stelt vast dat niets in het dossier erop wijst dat de vereniging bij het verrichten van telematicadiensten gebruik heeft gemaakt van dergelijke bevoegdheden, en dat zij haar activiteiten onder dezelfde voorwaarden als particuliere marktdeelnemers lijkt te hebben verricht. Bovendien overweegt het Gerecht dat het als niet-belastingplichtige behandelen van opdrachthoudende verenigingen die telematicadiensten verrichten, kan leiden tot een verstoring van de mededinging van enige betekenis, zodat zij op grond van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn als belastingplichtigen moeten worden aangemerkt. Ten slotte merkt het Gerecht op dat telematicadiensten, als combinatie van telecommunicatiemiddelen en informatietechnologie, vallen onder bijlage I bij de btw-richtlijn, zodat publiekrechtelijke lichamen die dergelijke diensten verrichten op grond van artikel 13, lid 1, derde alinea, sowieso als belastingplichtigen worden beschouwd.

Het Gerecht benadrukt dat de btw-plicht van een opdrachthoudende vereniging als de vereniging moet worden beoordeeld vanuit haar eigen hoedanigheid en activiteiten als dienstverrichter, en niet vanuit de hoedanigheid van de ontvangers van haar diensten. Er hoeft bijgevolg geen onderscheid te worden gemaakt tussen de leden van de vereniging afhankelijk van welke hoedanigheid zij hebben voor de btw.

De emanatietheorie als juridische fictie

Wat de emanatietheorie betreft, oordeelt het Gerecht dat deze in wezen een juridische fictie behelst volgens welke een dienstverrichting van een opdrachthoudende vereniging ten behoeve van haar leden wordt aangemerkt als een dienst die door deze leden aan zichzelf wordt verleend en dus niet onder de btw valt. Het Gerecht stelt vast dat een dergelijke juridische fictie tot gevolg zou hebben dat een geval van niet-belastingplicht wordt ingevoerd waarin de btw-richtlijn, in het bijzonder de artikelen 11 en 13 ervan, niet voorziet. De toepassing van de emanatietheorie kan dan ook niet afdoen aan de btw-plicht die voortvloeit uit de btw-richtlijn.

Het dictum

Het Gerecht verklaart voor recht dat de artikelen 2, 9 en 13 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat een publieke rechtspersoon die de vorm van een opdrachthoudende vereniging heeft en in het kader van een beheersoverdracht telematicadiensten verricht voor de leden van deze vereniging en de benodigde computerapparatuur levert aan hen, moet worden geacht onderworpen te zijn aan de btw, mits deze diensten onder bezwarende titel worden verricht en de vereniging zelfstandig een economische activiteit uitoefent, zonder dat in dit verband een onderscheid tussen de leden hoeft te worden gemaakt afhankelijk van welke hoedanigheid zij hebben voor de btw. Een nationale belastingpraktijk die ertoe leidt dat deze diensten worden aangemerkt als diensten die door de leden van de opdrachthoudende vereniging aan zichzelf worden verleend, doet niet af aan de btw-plicht van deze vereniging.

GD&A Advocaten volgt als structurele partner van lokale besturen deze problematiek uiteraard van nabij op.

Auteur(s):

Steven Michiels en Nathalie Wouters

Leave a Reply