Het Hof van Cassatie heeft op 22 januari 2026 bevestigd dat gemeenten voor bepaalde infrastructuur van buitenschoolse kinderopvang het verlaagde btw-tarief van 6% kunnen toepassen. Dit arrest bevestigt een eerder arrest van het hof van beroep Gent van 10 oktober 2023 in de zaak van een Vlaamse stad tegen de Belgische Staat.

Concreet stelt het Hof dat een gemeente die een centrale buitenschoolse kinderopvang organiseert voor alle kinderen van het kleuter- en lager onderwijs op haar grondgebied, moet worden beschouwd als een “organisatie” in de zin van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW. Dat artikel zet de Europese btw-richtlijn om voor wat betreft het vrijgestelde onderwijs en de daarmee “nauw samenhangende” diensten.

De kern van de beslissing is dat buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs in de huidige maatschappelijke context onontbeerlijk is om onderwijs daadwerkelijk te kunnen organiseren. Ouders werken doorgaans tijdens en rond de schooluren, kinderen zijn te jong om alleen naar huis te gaan of thuis te blijven, en zonder structureel georganiseerde opvang kan een basisschool haar onderwijsopdracht praktisch niet waarmaken. Daarom kwalificeert deze opvang als een dienst die nauw samenhangt met het vrijgestelde onderwijs.

Dat heeft een belangrijk btw-gevolg: gebouwen die bestemd zijn voor dergelijke buitenschoolse opvang kunnen, via rubriek XL van tabel A bij KB nr. 20, onder het verlaagde btw-tarief van 6% vallen, ook als de opvang niet op de schoolsite zelf is gevestigd. Het Hof maakt expliciet duidelijk dat “nauw samenhangend” niet betekent dat de dienst op dezelfde locatie als de school moet plaatsvinden. De opvang kan dus in een apart, centraal gebouw worden georganiseerd.

Daarnaast bevestigt het Hof dat aan de overige voorwaarden van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW moet zijn voldaan: de organisatie mag niet systematisch winst nastreven en eventuele winsten moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten. Gemeentelijke kinderopvang die in dit non-profitkader wordt uitgebouwd, past binnen deze logica.

Dit cassatiearrest creëert voor lokale besturen duidelijk bijkomende opportuniteiten om investeringen in buitenschoolse opvang btw-efficiënt te structureren. In een voldoende vergelijkbare feitelijke en organisatorische context kan het verlaagde btw-tarief van 6% immers verdedigbaar zijn voor infrastructuur die wordt ingezet voor centraal georganiseerde buitenschoolse opvang van kleuter- en lagereschoolkinderen. Omdat de beoordeling evenwel contextgebonden blijft en afhangt van de concrete modaliteiten van de organisatie, blijft voorafgaande afstemming met de fiscus sterk aangewezen.

GD&A Advocaten volgt als structurele fiscale partner van lokale besturen deze materie op de voet.

Auteur(s):

Nathalie Wouters en Steven Michiels

Leave a Reply