Begin juli 2026 circuleerde een gelekte ontwerptekst voor wat in de Europese beleidsagenda als een Public Procurement Act wordt aangeduid. De tekst suggereert een verregaande hervorming van het EU-aanbestedingsrecht, maar moet voorlopig als niet-bindend en institutioneel onzeker worden behandeld: op datum van deze nieuwsbrief is nog geen definitief Commissievoorstel aangenomen of gepubliceerd.
Die voorzichtigheid is belangrijk. Het huidige EU-kader bestaat uit drie richtlijnen: Richtlijn 2014/24/EU voor de klassieke sectoren, Richtlijn 2014/25/EU voor de speciale sectoren of nutssectoren, en Richtlijn 2014/23/EU voor concessies. Die richtlijnen werken via nationale omzetting. Als de piste van één rechtstreeks toepasselijke verordening wordt bevestigd, zou dat dus geen loutere technische herschikking zijn, maar een verschuiving van omzettingsrecht naar meer uniform EU-recht.
Wat staat er in de gelekte ontwerptekst?
Volgens de gelekte ontwerptekst zou de hervorming het volledige traject van de overheidsopdracht bestrijken: van behoefteplanning en publicatie, over selectie en gunning, tot en met de uitvoering. Ook concessies zouden in hetzelfde procedurele kader worden geïntegreerd, met specifieke bepalingen die rekening houden met hun eigenheid.
De drie tot vijf plaatsingsprocedures uit de huidige richtlijnen zouden worden teruggebracht tot drie hoofdprocedures: (i) een open-onderhandelingsprocedure, waarbij iedere geïnteresseerde onderneming kan inschrijven en de aanbesteder desgewenst kan onderhandelen en al dan niet selectiecriteria oplegt; (ii) een vereenvoudigde dynamische procedure voor routineaankopen van standaardoplossingen, zonder selectiecriteria en via een digitale marktplaats — denk bijvoorbeeld aan de periodieke aankoop van kantoormateriaal, schoonmaakdiensten of groenbeheer door een gemeente; en (iii) een innovatieprocedure voor maatschappelijke uitdagingen waarvoor nog geen kant-en-klare oplossing op de markt bestaat.
De meest opvallende krachtlijnen zijn:
- de beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV, in de ontwerptekst best price-quality ratio) zou de standaardbenadering bij gunning worden; wie toch enkel op prijs wil gunnen, zou dat uitdrukkelijk moeten motiveren (comply or explain); de minimumgewichten voor kwaliteit zouden ten minste 30% van de totale punten bedragen, oplopend tot 50% bij arbeidsintensieve opdrachten — bijvoorbeeld opdrachten voor schoonmaak, groenonderhoud of schoolcatering;
- strenge begrenzingen op selectiecriteria: de maximale minimumomzeteis wordt beperkt tot 50% van de geschatte opdrachtwaarde, en aanbesteders zouden inschrijvers niet langer mogen verplichten om referenties van eerdere publieke opdrachten voor te leggen, tenzij de complexiteit van de opdracht dit rechtvaardigt; dit moet voorkomen dat kleinere ondernemingen onnodig worden uitgesloten;
- een Europese voorkeur of Made in Europe-benadering: inschrijvers uit derde landen zonder toegang op grond van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten of bilaterale handelsakkoorden zouden kunnen worden uitgesloten; daarnaast zouden oorsprongsvereisten en evaluatievoordelen voor Europese inschrijvers mogelijk worden, voor zover verenigbaar met internationale verplichtingen;
- een veiligheidstoets waarmee aanbestedende diensten de eigendomsstructuur, zeggenschap en potentiële veiligheidsrisico’s van inschrijvers zouden kunnen onderzoeken bij opdrachten die raken aan kritieke infrastructuur, gevoelige informatie of cybersecurity; inschrijvers met buitenlandse aandeelhouders of groepsstructuren doen er goed aan die structuur proactief in kaart te brengen;
- de Commissie zou via gedelegeerde handelingen verplichte groene aanbestedingscriteria per productcategorie kunnen vaststellen, met nadruk op circulariteit, gerecycleerde inhoud, energie-efficiëntie en levenscyclusinformatie; inschrijvers zullen dan verifieerbaar bewijs moeten kunnen voorleggen, bijvoorbeeld via ecolabels, productdata of levenscyclusdocumentatie;
- een EU-brede digitale aanbestedingsomgeving: nationale e-Procurement-systemen zouden sterker worden gekoppeld tot een geïntegreerde digitale marktplaats, aangevuld met Public Procurement Data Spaces en digitale bedrijfsreferenties onder het once-only-beginsel;
- een verplicht rapporteringskader: elke lidstaat zou een National Public Procurement Data Space (nationaal dataplatform voor aanbestedingsgegevens) moeten opzetten; contractinformatie, betalingsstatus en onderaannemingsinformatie zouden beschikbaar moeten zijn voor opdrachten vanaf EUR 10.000, ook als de opdracht zelf onder de Europese drempels valt — voor kleine besturen met beperkte IT-capaciteit kan dit een aanzienlijke bijkomende administratieve last inhouden;
- aanbesteders zouden aan het begin van elke begrotingsperiode een behoefteplan moeten publiceren met hun verwachte opdrachten, zodat ondernemingen, zeker in sectoren met lange voorbereidingstijden, vroeger zicht krijgen op toekomstige vraag.
Deze elementen moeten voorlopig worden gelezen als beleidsopties uit een gelekte ontwerptekst, niet als geldend recht. Officieel staat wel vast dat de Europese Commissie het aanbestedingskader van 2014 herziet met het oog op vereenvoudiging, strategische autonomie, duurzaamheid, innovatie en digitalisering.
Belgische impact: bovendrempels, onderdrempels en omzettingsrecht
De toekomstige regeling raakt in hoofdzaak het ‘bovendrempelige segment’. Voor opdrachten onder de Europese drempels blijft dus, minstens in beginsel, ruimte voor nationale regels en vereenvoudigingen. De Wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, de Wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten en de uitvoeringsbesluiten, waaronder het KB Plaatsing, verdwijnen niet automatisch uit beeld. Het Belgische voorontwerp van wet dat de ministerraad op 30 april 2026 goedkeurde — gericht op vereenvoudiging van de plaatsingsregels, herwerking van de bepaling omtrent energie-efficiëntie en verduidelijking van korte ketens bij voedingsgerelateerde opdrachten — moet daarom naast de Europese hervorming worden gelezen.
Waarom dit politiek en juridisch gevoelig is
De gelekte tekst heeft begrijpelijkerwijs reacties uitgelokt.
Het Europees Comité van de Regio’s — dat de belangen van lokale en regionale overheden behartigt — waarschuwde al in zijn advies van 4 maart 2026 dat de herziening een “significant impact” heeft op lokale en regionale overheden: ca. 45% van alle EU-overheidsopdrachten wordt door hen beheerd. Het Comité vraagt dat verificatie- en nalevingslasten niet disproportioneel bij gemeenten en regio’s terechtkomen. De keuze voor een verordening — die nationale omzettingsmarges aanzienlijk zou beperken — is het belangrijkste breekpunt. Voor lidstaten, regio’s en lokale besturen is dat geen louter institutioneel debat: aanbestedingsregels bepalen mee hoeveel ruimte er is voor nationale beleidsaccenten, lokale bestuurspraktijk en sectorale verfijning.
Daarbij ontstaat een spanningsveld. De Commissie koppelt de herziening aan vereenvoudiging, efficiëntie en een consistenter kader, maar dezelfde hervorming wordt ook gebruikt om strategische beleidsdoelstellingen te versterken, zoals duurzaamheid, economische veiligheid, Europese veerkracht en sociale criteria. Dat kan inhoudelijk verdedigbaar zijn, maar verhoogt het risico op bijkomende bewijs-, motiverings- en controlelasten voor aanbesteders en ondernemingen.
De ontwerptekst verplicht lidstaten om minstens één competentiecentrum voor overheidsopdrachten op te richten, dat begeleiding, advies en ondersteuning biedt aan aanbesteders op het vlak van procedureplanning, marktverkenning, risicobeheer, integriteit, duurzaam en innovatief aanbesteden en contractbeheer. Voor kleine besturen die vandaag al moeite hebben om de bestaande regels correct toe te passen, kan dat een welkome ondersteuning zijn — mits de competentiecentra ook effectief bereikbaar en praktijkgericht worden ingericht.
Ook de timing blijft onzeker. Een hervorming van deze omvang vergt een formeel Commissievoorstel en behandeling door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure. Bovendien bepaalt de ontwerptekst dat de verordening pas twee jaar na inwerkingtreding effectief van toepassing wordt. Zelfs bij een vlot wetgevingstraject zou de nieuwe regeling dus niet vóór 2029-2030 in werking treden. Dat geeft aanbesteders en inschrijvers tijd om zich voor te bereiden, maar maakt het des te belangrijker om die voorbereidingstijd nu al te benutten.
***
GD&A Advocaten volgt het Europese en Belgische wetgevingsproces voor u op de voet. Wij houden u op de hoogte zodra een officieel Commissievoorstel, adviezen over het Belgische voorontwerp of uitvoeringsmaatregelen beschikbaar zijn.
Heeft u vragen over de impact op uw modeldocumenten, samenwerkingsovereenkomsten of plaatsingsprocedures? Ons Team Overheidsopdrachten denkt graag met u mee — neem gerust contact op voor een vrijblijvend gesprek of een doorlichting van uw overheidsopdrachtenpraktijk.