Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie Besluit (EU) 2025/2630 vastgesteld, het herziene DAEB-Vrijstellingsbesluit. Dit besluit is op 8 januari 2026 in werking getreden en vervangt het vertrouwde Besluit 2012/21/EU, dat bijna veertien jaar lang het referentiekader vormde voor de compensatie van diensten van algemeen economisch belang. De herziening brengt een reeks ingrijpende wijzigingen met zich mee die rechtstreeks relevant zijn voor Vlaamse lokale besturen die publieke diensten financieren of organiseren. In deze bijdrage bespreken wij de belangrijkste nieuwigheden en reiken wij een aantal praktische handvatten aan.

Waarom een herziening?

Het DAEB-Vrijstellingsbesluit bepaalt onder welke voorwaarden staatssteun verenigbaar is met de interne markt én vrijgesteld is van de aanmeldingsverplichting bij de Europese Commissie op grond van artikel 108, lid 3, VWEU. Het betreft het kader dat lokale besturen in staat stelt om ondernemingen te compenseren voor het uitvoeren van taken van algemeen economisch belang, zoals onder meer kinderopvang, ouderenzorg, sociale huisvesting en ziekenhuiszorg.

De Commissie achtte een herziening noodzakelijk gelet op de opgedane ervaring met het oude besluit, de gewijzigde economische omstandigheden (bv. huisvestingscrisis), en de algemene marktontwikkelingen sinds 2012. Het resultaat is een besluit dat op meerdere punten ruimer, soepeler en tegelijk transparanter is dan zijn voorganger.

Een hogere compensatiedrempel

Een eerste opvallende wijziging betreft de algemene compensatiedrempel. Die is verhoogd van 15 miljoen EUR naar 20 miljoen EUR per jaar per onderneming die een DAEB verricht. De Commissie verantwoordt deze verhoging door de inflatie die zich sinds het oude besluit van 2012 heeft voorgedaan. Wanneer het compensatiebedrag varieert gedurende de toewijzingsperiode, wordt het jaarlijkse bedrag berekend als het gemiddelde van de verwachte jaarlijkse compensaties over de gehele toewijzingsperiode.

Voor lokale besturen die DAEB toewijzen in sectoren zoals afvalverwerking, cultuur of andere niet-sociale diensten, betekent dit dat aanzienlijk grotere compensatiepakketten onder de vrijstelling kunnen vallen zonder aanmelding bij de Commissie.

Categorieën zonder compensatieplafond

Net als onder het oude besluit gelden voor een aantal categorieën geen compensatieplafonds, mits aan de overige voorwaarden van het besluit is voldaan. Het gaat om ziekenhuizen (met inbegrip van spoedeisende hulp en rechtstreeks ondersteunende activiteiten zoals medisch onderzoek) en om sociale diensten die tegemoetkomen aan behoeften op het vlak van gezondheidszorg en langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt en herintreding en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen, met inbegrip van toegankelijkheid en hulptechnologie voor personen met een beperking.

Dit bevestigt dat voor deze categorieën de toekenning van steun kan worden voortgezet zonder plafondbeperking, op voorwaarde uiteraard dat de toewijzingsbesluiten aan de overige materiële vereisten voldoen.

Betaalbare huisvesting: een nieuwe DAEB-categorie

De meest vernieuwende toevoeging is de erkenning van sociale en/of betaalbare huisvesting als een volwaardige, afzonderlijke DAEB-categorie, eveneens zonder compensatieplafond. De Commissie erkent hiermee dat de betaalbaarheidsproblematiek niet langer uitsluitend de meest kwetsbare groepen treft, maar ook middeninkomensgroepen, alleenstaande ouders, studenten, ouderen en personen met een beperking.

Deze uitbreiding geeft aanleiding tot drie mogelijkheden: sociale huisvesting (gesloten systeem), betaalbare huisvesting (open systeem), en een combinatie van sociale en betaalbare huisvesting.

De criteria en voorwaarden voor zowel sociale als betaalbare huisvesting zijn opgenomen in de bijlage bij het besluit. De vereisten inzake betaalbare huisvesting zijn strenger dan die voor sociale huisvesting, aangezien die categorie dichter bij de private markt aanleunt.

Voor lokale besturen opent deze nieuwe categorie perspectieven om woningprojecten te ondersteunen die gericht zijn op huishoudens die niet in aanmerking komen voor sociale huisvesting, maar door de marktomstandigheden evenmin toegang vinden tot betaalbare woningen. Gemeenten die geconfronteerd worden met een krappe lokale woningmarkt beschikken nu over een Europees kader om compensatie voor betaalbare huisvestingsprojecten te verlenen zonder aanmeldingsverplichting.

Soepelere controle op overcompensatie

Het herziene besluit brengt een aanzienlijke verlichting van de administratieve lasten die gepaard gaan met de controle op overcompensatie. De controletermijn wordt verlengd van drie naar vijf jaar, zowel gedurende de toewijzingsperiode als bij het einde daarvan. Dit betekent concreet dat lokale besturen minder frequent controles hoeven uit te voeren.

Bovendien introduceert het besluit twee belangrijke versoepelingen. Wanneer de compensatie vooraf is vastgesteld op basis van een geloofwaardig bedrijfsplan, met een correcte toerekening van kosten en inkomsten en redelijke verwachtingen, blijft de controle beperkt tot de beoordeling of het winstgevendheidsniveau vanuit ex-anteperspectief redelijk is. Daarnaast zijn aanbieders wier activiteiten in wezen beperkt blijven tot de DAEB (met jaarlijkse commerciële inkomsten van minder dan 5% van de totale inkomsten) en die wettelijk verplicht zijn alle winst te herinvesteren, volledig vrijgesteld van controles achteraf.

Nieuwe transparantieregels vanaf 2028

De tweejaarlijkse rapportageverplichtingen uit het oude besluit worden volledig geschrapt. De rapportage over de jaren 2024 en 2025 is niet langer verplicht, maar kan wel nog op vrijwillige basis worden ingediend. In de plaats daarvan treedt vanaf 1 januari 2028 een registratieverplichting in werking: alle steun van meer dan 1 miljoen EUR per onderneming en per DAEB moet worden geregistreerd in een centraal register uiterlijk twintig werkdagen na de verlening van de steun. Dit is gelijkaardig aan de huidige registratieverplichting inzake de-minimissteun. De geregistreerde informatie moet gedurende tien jaar worden bewaard.

Vlaamse lokale besturen doen er goed aan om nu al hun interne processen en gegevensregistratie in kaart te brengen, zodat zij tegen 2028 klaar zijn om aan de registratieverplichting te voldoen.

Overgangsregeling

Het besluit voorziet in een evenwichtige overgangsregeling die bestaande toewijzingen beschermt. Steunregelingen die vóór 8 januari 2026 van kracht waren onder het oude Besluit 2012/21/EU, blijven nog gedurende twee jaar (tot 8 januari 2028) verenigbaar met de interne markt en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting. Voor alle sociale DAEB die vóór de inwerkingtreding van kracht waren (dus niet enkel sociale huisvesting, maar ook compensatie voor ziekenhuizen, kinderopvang, ouderenzorg, arbeidsmarktbemiddeling en andere sociale diensten) geldt een nog ruimere bescherming: deze blijven verenigbaar tot het einde van de looptijd van het toewijzingsbesluit. Lokale besturen hoeven hun lopende toewijzingen voor sociale diensten dus niet onmiddellijk te herzien. Tot slot worden steunmaatregelen die onder het oude besluit niet verenigbaar waren, maar die wél aan de voorwaarden van het nieuwe besluit voldoen, alsnog geacht verenigbaar en vrijgesteld te zijn.

GD&A Advocaten staat klaar om uw bestuur te begeleiden bij de toepassing van het herziene DAEB-Vrijstellingsbesluit, of het nu gaat om de opmaak van nieuwe toewijzingsbesluiten, de toetsing van bestaande compensatiemechanismen of de voorbereiding op de nieuwe transparantieverplichtingen.

Auteur(s):

Abelone Reuse, Steven Michiels en Nathalie Wouters

Leave a Reply