In een recent arrest van 26 januari 2026 heeft de Raad van State zich, in het kader van een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, uitgesproken over de vraag wanneer een afwijking van technische bestekbepalingen leidt tot een substantieel onregelmatige offerte. De zaak betrof een omvangrijke overheidsopdracht voor tunnelrenovatie in Antwerpen, waarbij de verzoekende partijen – die samen een tijdelijke maatschap vormden – de aanbestedende overheid verweten dat de offerte van de gekozen inschrijver afweek van essentiële technische vereisten. De Raad onderzocht in welke mate een afwijking van een technische bestekbepaling automatisch tot substantiële onregelmatigheid leidt, dan wel of een genuanceerde beoordeling vereist is.

Relevante feiten

De Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn plaatste een overheidsopdracht voor werken in de markt met als voorwerp “Tunnelrenovatie Metro Antwerpen Fase 1: linkeroever – Driehoek”. Als plaatsingsprocedure werd daarbij geopteerd voor een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging waarbij vier inschrijvers een finale offerte indienden. Op 16 december 2025 gunde de verwerende partij de opdracht aan de tussenkomende partijen, eveneens een tijdelijke maatschap. De verzoekende partijen stelden op 5 januari 2026 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in.

Een cruciaal onderdeel van de opdracht betrof de aanleg van nieuwe tramsporen op basis van een zogenaamde “slabtrack-constructie” (een betonnen fundering voor tramsporen). Het bestek schreef voor dat deze constructie diende te bestaan uit twee gewapende betonbalken en dat de breedte van elke betonbalk te allen tijde 0,60 meter diende te zijn. Het bestek bevatte tevens een technische tekening waarop in dwarsdoorsnede twee afzonderlijke balken werden afgebeeld met daarin telkens een tramspoor verankerd.

Uit het gunningsverslag bleek echter dat de gekozen inschrijver in zijn offerte uitging “van een betonplaat in plaats van twee betonbalken voor de slabtrack”. Deze werkwijze leverde volgens het gunningsverslag een voordeel op doordat het bekistingswerk aanzienlijk werd gereduceerd, wat een positief effect had op zowel de doorlooptijd als de kostprijs.

Kritiek van de verzoekende partijen: er is sprake van een substantiële onregelmatigheid ingevolge de afwijking van technische eisen

De verzoekende partijen voerden de schending aan van artikel 74 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 betreffende plaatsing van overheidsopdrachten in de speciale sectoren (hierna: KB Plaatsing speciale sectoren), het gelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Zij betoogden dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig was omdat deze afweek van de technische bepalingen van het bestek met betrekking tot de realisatie van de slabtrack.

Doordat de gekozen inschrijver in zijn offerte uitging van een betonplaat in plaats van twee betonbalken kon deze hierdoor volgens de verzoekende partijen genieten van een discriminerend voordeel, met name door een kortere doorlooptijd en lagere kostprijs te kunnen aanbieden. Volgens de verzoekende partijen was de offerte niet enkel substantieel onregelmatig omwille van de strijdigheid met de technische eisen van het bestek, maar dus ook omdat deze inschrijver zich een discriminerend voordeel had verschaft en de vergelijking met de andere offertes werd verhinderd.

Tenslotte verweten de verzoekende partijen de aanbesteder dat zij nergens motiveerde waarom zij de offerte van de gekozen inschrijver in deze omstandigheden alsnog zou kunnen aanvaarden.

VRAAG 1 – Feitelijke vaststelling: is er sprake van een afwijking van het bestek?

De Raad van State onderzocht vooreerst of de gekozen offerte inderdaad feitelijk afweek van de besteksbepalingen. Hoewel de tussenkomende partijen stelden dat het gunningsverslag nergens vermeldde dat zij afweken van het bestek, constateerde de Raad dat uit het gunningsverslag wel degelijk bleek dat de gekozen inschrijver uitging van een betonplaat in plaats van twee betonbalken. Uit de technische tekening in het plan van aanpak van de gekozen inschrijver bleek ondubbelzinnig dat de holle ruimte tussen beide balken werd opgevuld met ongewapend beton.

De Raad oordeelde dan ook dat de door de gekozen inschrijver voorgestelde uitvoering afweek van de betrokken bepaling van het bestek.

VRAAG 2 – is een dergelijke afwijking dan substantieel van aard?

De tweede kernvraag was of deze afwijking tot gevolg had dat de offerte als substantieel onregelmatig moest worden beschouwd. Artikel 74, § 1, vierde lid, 3°, KB Plaatsing speciale sectoren bepaalt immers dat de niet-naleving van minimale eisen en van de vereisten die in de opdrachtdocumenten uitdrukkelijk als substantieel worden aangemerkt, leidt tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte.

De Raad van State concludeert hieruit a contrario dat opdrachtdocumenten ook andere, niet-minimale en niet-substantieel verklaarde eisen en vereisten kunnen bevatten. De toevoeging van de termen “minimale” en “die als substantieel worden aangemerkt” zou anders immers overbodig en bijgevolg zonder betekenis zijn. Een offerte is dus niet steeds substantieel onregelmatig louter omdat zij afwijkt van een technische bepaling van het bestek.

De Raad benadrukte dat het in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toekomt de technische specificaties vast te stellen en te bepalen welke ervan al dan niet een minimaal of substantieel karakter hebben. De Raad mag daarbij nagaan of die vaststelling steunt op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. De interpretatie van een bestekbepaling door de aanbestedende overheid heeft slechts de waarde van een voorlopig standpunt dat de Raad van State niet bindt.

“Nee”, volgens de Raad van State

Bij de beoordeling of de betrokken bestekbepaling een minimaal of substantieel karakter had, stelde de Raad van State vast dat de concrete wijze waarop de slabtracks werden uitgevoerd slechts één sub-aspect vormde van één onderdeel van een bijzonder complexe overheidsopdracht. Uit de vormgeving van de tekst – waaronder de gehanteerde terminologie (het ontbreken van imperatieve of anderszins dwingende bewoordingen) – bleek daarnaast geen enkele aanwijzing dat de aanbestedende entiteit een bijzonder gewicht wenste toe te kennen aan de uitvoering van de slabtracks met twee niet-verbonden gewapende betonnen balken.

Bovendien bleek niet dat de technische bepaling voorschreef dat de twee gewapende betonnen balken in geen geval met gewoon beton met elkaar in verbinding zouden mogen worden gebracht, noch dat deze balken noodzakelijk afzonderlijk van elkaar moesten worden uitgevoerd. Het bestek bevatte geen bepaling over de aan te houden minimale holle ruimte tussen de gewapende balken en evenmin een uitdrukkelijk verbod op het opvullen van de holle ruimte met ongewapend beton.

De Raad van State oordeelde dat de bestekbepaling ook kon worden opgevat als een minimumconfiguratie, waarbij de twee gewapende betonnen balken niet smaller dan 60 centimeter mogen zijn. Het opvullen van de tussenliggende ruimte kon in die interpretatie worden beschouwd als een uitvoeringsdetail dat geen afbreuk deed aan de betrokken technische vereiste met betrekking tot de stevigheid en stabiliteit van het spoor. De kernvereiste – namelijk dat beide sporen moeten rusten op en worden verankerd in een gewapende betonconstructie met een minimale breedte van 60 centimeter – bleef gerespecteerd.

Optimalisatie betekent niet ipso facto discriminatie

Wat de stelling betrof dat de gekozen inschrijver zich alzo een discriminerend voordeel verschafte, oordeelde de Raad van State dat het inschrijvers vrijstaat om de opdrachtdocumenten grondig te bestuderen en om, binnen de grenzen van het bestek en van de minimale eisen, de uitvoering van de opdracht te optimaliseren. Indien inschrijvers in de opdrachtdocumenten ruimte vinden voor een efficiëntere uitvoeringswijze, staat het hen vrij van die ruimte gebruik te maken. Dergelijke optimalisaties maken veeleer deel uit van het normale spel van de mededinging en weerspiegelen de expertise en efficiëntie van de betrokken inschrijver.

Zolang de aangeboden oplossing binnen de grenzen van de minimale eisen en substantiële vereisten blijft, verleent het realiseren van dit concurrentievoordeel op zichzelf geen discriminerend voordeel, noch is er sprake van concurrentievervalsing. Evenmin tast een dergelijke optimalisatie de vergelijkbaarheid van de offertes aan, aangezien zij worden beoordeeld aan de hand van dezelfde gunningscriteria en binnen hetzelfde normatieve kader van de opdrachtdocumenten.

De Raad verwierp de vordering tot schorsing en bekrachtigde aldus de gunningsbeslissing.

ZUCHT… begrijpt u het nog?

Dit arrest brengt – opnieuw – een belangrijke verduidelijking over de beoordeling van technische afwijkingen in offertes.

De Raad van State bevestigt dat niet elke afwijking van een technische bestekbepaling automatisch leidt tot een substantiële onregelmatigheid in een offerte.

Voor aanbesteders betekent dit alleszins dat zij bij het opstellen van opdrachtdocumenten duidelijk moeten aangeven welke technische vereisten een minimaal of substantieel karakter hebben, indien zij wensen dat afwijkingen daarvan tot uitsluiting leiden.

Voor inschrijvers biedt het arrest de bevestiging dat zij, binnen de grenzen van minimale en substantiële vereisten, creatieve en efficiënte oplossingen mogen voorstellen die de uitvoering van een opdracht optimaliseren. Dergelijke optimalisaties maken deel uit van de normale mededinging en kunnen zich vertalen in een gunstigere prijs en kortere uitvoeringstermijn, zonder dat dit automatisch als een discriminerend voordeel wordt beschouwd.

***

Heeft u vragen over de beoordeling van technische afwijkingen in offertes of de formulering van bepalingen in het bestek? Onze specialisten binnen GD&A Advocaten helpen u graag verder.

Auteur(s):

Lander Maes, i.s.m. Gitte Laenen

Leave a Reply