De opzegging van een arbeidsovereenkomst is aan strikte wettelijke vormvereisten onderworpen. Zo bepaalt de Arbeidsovereenkomstenwet dat de werkgever de opzegging enkel geldig kan betekenen bij aangetekende brief of bij gerechtsdeurwaardersexploot. Maar wat indien de werkgever een beroep doet op een buitenlandse postdienst?

Een recent arrest van het arbeidshof te Brussel van 10 september 2024 biedt hierop een antwoord.

Wijze van kennisgeving van de opzegging

Een opzegging dient steeds schriftelijk ter kennis te worden gebracht. Indien de opzegging uitgaat van de werknemer, geschiedt de kennisgeving op straffe van nietigheid (i) door afgifte van een geschrift aan de werkgever, (ii) bij een ter post aangetekende brief, of (iii) bij gerechtsdeurwaardersexploot.[1]

Gaat de opzegging uit van de werkgever, dan kan de kennisgeving op straffe van nietigheid enkel geschieden bij een ter post aangetekende brief – die uitwerking heeft de derde werkdag na datum van de verzending – of bij gerechtsdeurwaardersexploot.[2] Meer specifiek betreft dit een absolute nietigheid: de werknemer kan deze nietigheid niet dekken of bevestigen, en zij wordt ambtshalve door de rechter vastgesteld.

Ten aanzien van de wijze van kennisgeving wanneer de opzegging van de werknemer uitgaat, geldt daarentegen een relatieve nietigheid, die door de werkgever kan worden gedekt.[3]

Arrest van 10 september 2024 – arbeidshof Brussel

In een arrest van 10 september 2024 diende het arbeidshof te Brussel zich uit te spreken over de geldigheid van een opzegging die per exprespost (TNT) vanuit Zwitserland aan een in België tewerkgestelde werknemer was verzonden.

De kernvraag was of een dergelijke verzending voldoet aan het vereiste van “aangetekende brief” in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet.

De feiten

Een werkneemster werd op 1 januari 2017 aangeworven in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bij Z.A. als operationeel verantwoordelijke.

Op 18 december 2018 heeft Z.A. per exprespost (verzonden via TNT) het ontslag van de werkneemster betekend met een opzeggingstermijn, ingaand op 24 december 2018.

Bij aangetekend schrijven van 3 april 2019 gaf de werkneemster aan dat zij had vastgesteld dat het ontslag met opzegging, betekend in december 2018, niet op geldige wijze was geschied aangezien het was gegeven per exprespost verzonden vanuit het buitenland. Zij schreef uitdrukkelijk aan Z.A. dat zij de opzegging als nietig beschouwde en dat bijgevolg de arbeidsovereenkomst werd voortgezet.

Zonder antwoord op dit schrijven te ontvangen, hervatte de werkneemster het werk op 15 april ’s ochtends na een vakantieperiode.

Bij aangetekend schrijven en e-mail van 16 april 2019 bevestigde de raadsman van Z.A. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vervolgens in uitvoering van het schrijven van 18 december 2018.

Gelet op het vermeende onregelmatig karakter van dit ontslag, werd de betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding gevorderd alsook van alle andere verschuldigde bedragen wegens de verbreking van de overeenkomst.

Aangezien van Z.A. elke verdere reactie uitbleef, werd een procedure ingeleid voor de arbeidsrechtbank.[4]

De werkneemster stelt dat haar geen geldige opzegging werd betekend per aangetekend schrijven, overeenkomstig artikel 37, §1, vierde lid Arbeidsovereenkomstenwet. Zij stelt dat TNT (exprespost) vanuit Zwitserland niet bevoegd is om aangetekende zendingen te verrichten, overeenkomstig het Belgisch recht.

Zij stelt vervolgens vast dat, aangezien de formaliteiten voorzien in artikel 37, §1, lid 4 van de wet van 3 juli 1978 niet werden nageleefd, de betekende opzegging nietig is.

Zij preciseert dat, hoewel zij een schrijven heeft teruggevonden dat haar ontslag met opzegging meedeelde, zij in elk geval nooit dit schrijven van TNT heeft ontvangen via een aangetekende zending.  Zij benadrukt dat zij geen ontvangstbewijs heeft getekend voor het schrijven dat haar via TNT werd gestuurd.

Het oordeel van het arbeidshof

Het arbeidshof stelt ten eerste dat het ontslag een eenzijdige rechtshandeling is, waarmee een partij bij een overeenkomst haar wil tot verbreking van de overeenkomst uit. De partij moet aldus zijn intentie om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst ter kennis brengen aan de bestemmeling.

Zoals elk ontslag moet het ontslag met opzegging aan zijn bestemmeling worden betekend. De wetgever heeft dan ook de betekeniswijzen vastgelegd die kunnen worden gebruikt.

Volgens artikel 37, §1, vierde lid Arbeidsovereenkomstenwet kan de kennisgeving door de werkgever op straffe van nietigheid slechts geschieden (i) bij aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag volgend op de datum van verzending, of (ii) bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat deze nietigheid niet door de werknemer kan worden gedekt en ambtshalve door de rechter wordt vastgesteld.

Aangezien het begrip “aangetekende brief” niet is gedefinieerd in de Arbeidsovereenkomstenwet, dient te worden verwezen naar artikel 27 van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten dat bepaalt:

“In alle wetten betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 74 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten moeten de woorden ‘aangetekende zending’, ‘aangetekende brief’, ‘aangetekend schrijven’, of elke andere gelijkaardige verwijzing, worden begrepen in de zin van ‘aangetekende zending’ zoals gedefinieerd in artikel 2, 9° van deze wet of van elektronische aangetekende zending overeenkomstig Verordening (EU) nr. 910/2014 van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, en dit ongeacht de aanbieder van postdiensten door wie deze zending werd afgeleverd. (…)” (eigen nadruk)

Artikel 2, 9° van die wet geeft aan dat onder “aangetekende zending” moet worden verstaan: “een dienst die forfaitair de risico’s van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt en de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs van de datum van afgifte van de postzending of van de uitreiking ervan aan de geadresseerde levert“. (eigen nadruk)

Artikel 2 van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten definieert nog de volgende begrippen:

1° “postdiensten”: “diensten die bestaan in het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen, met uitzondering van de verrichting van postdiensten door de natuurlijke of rechtspersoon die aan de oorsprong van de postzending ligt”;

2° “aanbieder van postdiensten”: “elke onderneming die een of meer postdiensten verricht”;

3° “postnetwerk”: “het geheel van de organisatie en de middelen van alle aard die door de aanbieder(s) van de universele dienst worden ingezet met het oog op met name: a) het ophalen van de postzendingen die onder een universeledienstplicht vallen aan de toegangspunten op het gehele grondgebied; b) het vervoer en de verwerking van deze zendingen van het toegangspunt van het postnetwerk tot het distributiecentrum; c) de bestelling op het op de postzending vermelde adres.”

Het hof stelt vervolgens vast dat de Raad van State in een arrest van 9 juni 2011 reeds het begrip “aangetekende brief” en zijn wettelijke definitie heeft onderzocht.

In dat arrest heeft de Raad van State erop gewezen dat “de woorden ‘aan de post’ of ‘per post’ die voorkomen in de wetgeving en de reglementering, zoals in de uitdrukking ‘aangetekende zending’, niet verwijzen naar uitsluitend de aangetekende zendingen van bpost, maar wel naar elke fysieke aangetekende zending zoals gedefinieerd door de wet van 21 maart 1991 of naar de elektronische aangetekende zendingen bedoeld in de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regelen in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten”. (eigen nadruk)

Het schrijven tot verbreking van de arbeidsovereenkomst van de werknemer werd door Z.A. verzonden via TNT vanuit Zwitserland.

Op basis van de voormelde rechtspraak van de Raad van State is het arbeidshof van oordeel dat de aangetekende zending voorzien in artikel 37, §1, vierde lid Arbeidsovereenkomstenwet niet noodzakelijk via bpost moet gebeuren. Artikel 27 van de wet van 26 januari 2018 preciseert trouwens dat “de woorden ‘aangetekende zending’, ‘aangetekende brief’, ‘aangetekend schrijven’, of elke andere gelijkaardige verwijzing, moeten worden begrepen in de zin van ‘aangetekende zending’ zoals gedefinieerd in artikel 2, 9° van deze wet of (…), en dit ongeacht de aanbieder van postdiensten door wie deze zending werd afgeleverd”. Het arbeidshof oordeelt dat de wet buitenlandse postdiensten niet lijkt uit te sluiten.

Het hof stelt vervolgens vast dat de Zwitserse Post, die heeft ‘onderaanbesteed’ aan TNT, wel degelijk een dienst is die, zoals de gebruikelijke aangetekende zendingen, op forfaitaire wijze de risico’s van verlies of beschadiging waarborgt en waarbij de afzender, op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van ontvangst van de zending of van de uitreiking van de postzending aan de geadresseerde.

Het hof bevestigt ook dat Z.A. het bewijs van de verzending van de aangetekende zending (op 18 december 2018) levert evenals van de datum waarop het schrijven werd afgeleverd (op 19 december 2018). Het adres van de werkneemster dat op de aangetekende zending vermeld staat, is correct. Het doet er niet toe dat zij het schrijven niet zelf voor ontvangst heeft ondertekend. Zij betwist immers niet het schrijven wel degelijk te hebben ontvangen.

Het arbeidshof besluit dat Z.A. het ontslag met opzegging op geldige wijze heeft betekend aan de werkneemster op 18 december 2018.

***

Dit arrest sluit aan bij de vaste principes inzake de wijze van kennisgeving van de opzegging: de opzegging door de werkgever kan op straffe van absolute nietigheid enkel geschieden bij aangetekende brief of bij gerechtsdeurwaardersexploot. Het vernieuwende element schuilt in de interpretatie van het begrip “aangetekende brief”. Het hof oordeelt dat dit begrip niet beperkt is tot zendingen via bpost, maar dat ook buitenlandse postdiensten in aanmerking komen voor zover zij voldoen aan de wettelijke definitie van artikel 2, 9° van de Wet Postdiensten van 26 januari 2018 (een dienst die forfaitair de risico’s waarborgt en de afzender een bewijs levert van afgifte of uitreiking).

[1] Art. 37, §1, 3e lid Arbeidsovereenkomstenwet.

[2] Art. 37, §1, 4e lid Arbeidsovereenkomstenwet.

[3] Cass. 25 april 2005, NJW 2005, 1026.

[4] Zij vorderde ook nog een schadevergoeding voor kennelijk onredelijk ontslag, een schadevergoeding wegens gebrek aan outplacementaanbod, de betaling van loonachterstallen en een verhoogde rechtsplegingsvergoeding. Op die vorderingen zal in het licht van deze nieuwsbrief niet worden ingegaan.

Auteur(s):

Sofie De Dobbeleer en Gitte Laenen

Leave a Reply