In een recent arrest[1] heeft de Raad van State zich uitgesproken over de beoordeling van prijsverantwoordingen in het kader van een overheidsopdracht (voor het reinigen en herstellen van brandweerkledij). De verzoekende partij verweet de aanbestedende overheid o.m. dat zij de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver ten onrechte had aanvaard, terwijl deze onvoldoende onderbouwd zou zijn. De Raad verwierp het middel: hij verduidelijkte de verhouding tussen de formele motiveringsplicht en de verplichting voor een aanbestedende overheid om bepaalde gegevens uit offertes vertrouwelijk te behandelen en bracht vervolgens een aantal principes uit zijn rechtspraak in herinnering.

Relevante feiten

De verwerende partij schreef een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp “Raamovereenkomst voor het reinigen en herstellen van brandweerkledij”. Twee ondernemingen, de verzoekende partij alsook de verzoekende partij tot tussenkomst in het geding, dienden een offerte in. De verwerende partij besloot in de zomer van 2025 reeds een eerste maal om de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig te verklaren en de opdracht te gunnen aan de verzoekende partij tot tussenkomst, doch ging vervolgens over tot intrekking van die gunningsbeslissing, nadat de verzoekende partij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid instelde bij de Raad van State.

Bij de daaropvolgende herneming van het (regelmatigheids)onderzoek door de verwerende partij werden in de offertes van beide inschrijvers schijnbaar abnormaal hoge en lage prijzen vastgesteld, waarvoor een prijsverantwoording werd gevraagd overeenkomstig artikel 36 KB Plaatsing.

De verwerende partij was van oordeel dat de prijsverantwoording van de verzoekende partij niet kon worden aanvaard en verklaarde diens offerte bijgevolg substantieel onregelmatig, maar achtte de verantwoordingen van de verzoekende partij tot tussenkomst daarentegen wel afdoende. Op 16 december 2025 werd de opdracht gegund aan de verzoekende partij tot tussenkomst, waarna de verzoekende partij opnieuw besloot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing.

Tweede middel van de verzoekende partij – onzorgvuldige beoordeling van de prijsverantwoording 

In haar tweede middel voerde de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 4 en 84 van de Overheidsopdrachtenwet, de artikelen 28, 36 en 76 van het KB Plaatsing, alsook het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het transparantiebeginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel.

Volgens de verzoekende partij beperkte de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver zich in hoofdzaak tot een loutere cijfermatige opsplitsing van de posten, zonder dat relevante of onderscheidende kenmerken werden aangevoerd die het prijsverschil konden verklaren. Voor verschillende posten werd verwezen naar elementen zoals de nabijheid van de leverlocaties, investeringen in machines of verhoogde sorteerkosten, terwijl dergelijke elementen volgens de verzoekende partij eigen zijn aan alle inschrijvers en dus geen onderscheidend element konden vormen.

Daarnaast wierp de verzoekende partij op dat de gekozen inschrijver voor bepaalde posten de prijzen van haar leverancier “één op één” zou doorrekenen, zonder een toeslag voor haar eigen algemene kosten en winst, hetgeen strijdig zou zijn met artikel 28 KB Plaatsing. Dit zou bovendien een reëel risico op frontloading inhouden.

De verzoekende partij wees er bovendien op dat nergens uit het gunningsverslag bleek dat de gekozen inschrijver in zijn prijsverantwoording was ingegaan op de eerbiediging van de verplichtingen inzake sociaal, arbeids- en milieurecht, hetgeen nochtans een uitdrukkelijke verplichting is krachtens artikel 36, § 2, vierde lid van het KB Plaatsing.

Tenslotte verweet de verzoekende partij aan de verwerende partij dat zij met twee maten en twee gewichten zou hebben gewerkt bij de beoordeling van de prijsverantwoordingen, nu de prijsverantwoording van de verzoekende partij zeer streng beoordeeld werd terwijl vermeend gelijkaardige of zelfs zwakkere verantwoordingen van de gekozen inschrijver zonder meer werden aanvaard.

De Raad van State wikt en weegt…

De Raad van State herinnerde er vooreerst – overeenkomstig diens vaste rechtspraak – aan dat de aanbestedende overheid over een beoordelingsruimte beschikt om de gegeven prijsverantwoording al dan niet te aanvaarden en dat de Raad van State zich niet in de plaats van een aanbestedende overheid mag stellen om de beoordeling van de prijsverantwoording over te doen.[2] De Raad toetst daarbij enkel of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.

De Raad van State wees er vervolgens op dat de formele motiveringsplicht in het kader van een bijzonder prijsonderzoek van een aanbestedende overheid vereist dat afdoende redenen opgegeven worden in de gunningsbeslissing waaruit blijkt waarom een offerte regelmatig bevonden wordt en dat de motivering van die aard moet zijn dat de inschrijvers in staat worden gesteld om met kennis van zaken uit te maken of het aangewezen is om de beslissing te bestrijden.

De Raad voegde daar evenwel aan toe dat de formele motiveringsplicht moet worden verzoend met de plicht die op een aanbestedende overheid rust om bepaalde gegevens vertrouwelijk te behandelen. Aldus kan een aanbestedende overheid volgens de Raad, onder verwijzing naar de ingediende prijsverantwoordingen, om redenen van vertrouwelijkheid volstaan met een beknopte motivering, waarbij zij slechts in algemene termen duidt welke overwegingen haar hebben gebracht tot de erkenning van de relevantie en de afdoende aard van de verstrekte prijsverantwoordingen.

De Raad oordeelde dat de in het verslag van nazicht uitgedrukte motivering, rekening houdend met het vertrouwelijk karakter van bepaalde gegevens, aan de verzoekende partij voldoende duidelijkheid verschafte over de redenen waarom de eenheidsprijzen niet abnormaal werden bevonden. Uit de door de verwerende partij bijgebrachte vertrouwelijke stukken bleek bovendien dat de motieven steun vonden in de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoordingen.

Daar waar de verzoekende partij misnoegd was over het gegeven dat de motivering zich zou beperken tot een loutere weergave van de verantwoordingselementen zonder eigen beoordeling, stelde de Raad vast dat uit de motivering duidelijk bleek dat de verwerende partij de prijsverantwoordingen had onderzocht en beoordeeld op hun relevantie voor de normaliteit van de opgegeven prijzen.

Een verzoekende partij kan er volgens de Raad trouwens niet mee volstaan bepaalde individuele motieven op geïsoleerde wijze te bekritiseren, hetgeen door de Raad in het verleden reeds gesteld werd.[3] Een beslissing vanwege een aanbestedende overheid wordt immers ondersteund door het geheel van diens motieven en niet door één of enkele overwegingen daaromtrent.[4] Zelfs indien elementen als de nabijheid van leverlocaties of investeringskosten op zich beschouwd onvoldoende onderscheidende waarde zouden hebben, kunnen zij in combinatie met de overige elementen de verwerende partij overtuigen dat het vermoeden van abnormaliteit is weerlegd.

Ook m.b.t. de aangevoerde schending van artikel 28 KB Plaatsing betreft, ving de verzoekende partij bot. Deze bepaling houdt enkel in dat algemene en financiële kosten alsook winst in verhouding tot hun belangrijkheid worden verdeeld over de onderscheiden posten, en houdt geenszins in dat inschrijvers steeds verplicht zouden zijn om voor alle posten en in alle omstandigheden in een winstmarge te voorzien, aldus de Raad.

Inzake de vermeende schending van artikel 36, § 2, vierde lid KB Plaatsing stelde de Raad vast dat uit het verzoek tot prijsverantwoording bleek dat de verwerende partij de gekozen inschrijver wel degelijk uitdrukkelijk had bevraagd over de eerbiediging van de verplichtingen inzake sociaal, arbeids- en milieurecht, en dat de gekozen inschrijver daar tevens op was ingegaan met bijhorende bewijsstukken.

Ook de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel dat door de verzoekende partij werd opgeworpen, wees de Raad van de hand. De Raad concludeerde dat de verzoekende partij in dat verband in essentie verwees naar de overige kritieken die zij in het tweede middel tot uiting bracht en waarvan er geen enkele als ernstig aanzien werd.

Het middel werd in zijn geheel dan ook als niet ernstig afgewezen door de Raad van State.

Motiveringsplicht vs vertrouwelijkheid – een noodzakelijke afweging

Het arrest bevestigt dat een aanbestedende overheid over een ruime beoordelingsruimte beschikt bij de aanvaarding van prijsverantwoordingen, waarbij de Raad van State zich beperkt tot een marginale toetsing.

Daarnaast verduidelijkt de Raad dat de formele motiveringsplicht moet worden verzoend met de vertrouwelijkheidsplicht: een beknopte motivering kan volstaan wanneer bepaalde gegevens uit de prijsverantwoording vertrouwelijk zijn.

***

GD&A Advocaten staat steeds klaar om uw bestuur met raad en daad bij te staan en kan bij vragen in het kader van (bijzondere) prijsonderzoeken dan ook de nodige (ver)antwoord(ing)en bieden!

[1] RvS 28 januari 2026, nr. 265.602.

[2] Zie o.m. RvS 27 juni 2025, nr. 263.795; RvS 26 maart 2024, nr. 259.272; RvS 15 januari 2024, nr. 258.445.

[3] RvS 8 november 2022, nr. 254.975.

[4] RvS 6 november 2024, nr. 261.298; RvS 31 oktober 2024, nr.261.252

Auteur(s):

Lander Maes, i.s.m. Gitte Laenen

Leave a Reply