Onlangs vernietigde de Raad van State de stedenbouwkundige verordening ‘woon- en leefkwaliteit’ van de gemeente T[1]. De verordening beperkte verkavelingen in woonparkgebieden zodanig streng dat zij volgens de hoogste bestuursrechter de grenzen overschreed van wat decretaal binnen een verordening mogelijk is. Het arrest is een heldere herinnering dat de lokale spelruimte bij het verordenen van de ruimte weliswaar breed is, maar niet onbegrensd.
Gemeenten beschikken over een krachtig instrumentarium om hun ruimtelijk beleid vorm te geven. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening laat gemeenteraden toe om via stedenbouwkundige verordeningen voorschriften vast te stellen voor onder meer de gezondheid, stevigheid en fraaiheid van bouwwerken, de bewoonbaarheid van woningen en de versterking van de leefbaarheid en aantrekkingskracht van dorpskernen. Die mogelijkheden zijn echter limitatief opgesomd in artikel 2.3.1 VCRO. Het zijn inrichtings- en beheersvoorschriften die gemeenten mogen vaststellen, geen bestemmingsvoorschriften. Dit onderscheid lijkt op papier helder, maar de grens is in de praktijk vaak fijn en juridisch lastig te traceren.
Wat leert het arrest ons over die grens?
Gemeente T. wilde verdichting in woonparkgebieden tegengaan door verkavelingen zeer sterk te beperken. Concreet waren verkavelingen enkel nog mogelijk wanneer gronden reeds voor hun volledige breedte aan een voldoende uitgeruste weg gelegen waren en mochten maximaal één bijkomend bouwperceel voor vrijstaande bebouwing creëren. Bebouwing in tweede orde werd uitdrukkelijk uitgesloten.
De gemeente beriep zich op drie rechtsgronden uit artikel 2.3.1 VCRO: de gezondheid en stevigheid van bouwwerken, de bewoonbaarheid van woningen en de versterking van de leefbaarheid en aantrekkingskracht van dorpskernen. De Raad van State volgde dit betoog niet. Het verbod om gronden te verkavelen had volgens de hoogste bestuursrechter geen betrekking op de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, noch op de bewoonbaarheid van woningen. De verordening gold bovendien voor het volledige grondgebied van de gemeente en beperkte zich geenszins tot de dorpskern. De gestelde beperkingen waren dan ook niet specifiek verantwoord om de leefbaarheid en aantrekkingskracht van dorpskernen te versterken.
Basisprincipes die iedere verordening moeten dragen
Een stedenbouwkundige verordening is geen ruimtelijk uitvoeringsplan in vermomming. Het vastleggen van bestemmingsgebieden met daarin toelaatbare activiteiten kan niet via een verordening, maar moet gebeuren via een uitvoeringsplan. Zodra een verordening in werkelijkheid niet langer inrichtings- en beheersvoorschriften bevat, maar de ontwikkelingsmogelijkheden van gronden zodanig beperkt dat de bestemmingsvoorschriften uit het gewestplan of bestaande plannen feitelijk buiten werking worden gesteld, overschrijdt zij haar decretaal afgebakende rol.
De materies die kunnen worden geregeld in een verordening zijn limitatief opgesomd. Uitbreiding is niet mogelijk. Dit betekent concreet dat voorschriften hun rechtsgrondslag moeten vinden in één van de twaalf doelstellingen uit artikel 2.3.1, eerste lid, VCRO dan wel in de specifieke mogelijkheden uit het tweede en derde lid van diezelfde bepaling. Een verdere uitbreiding is niet mogelijk.
Robuust beleid vraagt om juridisch scherp instrumentgebruik
Het arrest illustreert dat een verordening, hoe goedbedoeld ook, ten val komt wanneer het instrument niet wordt ingezet waarvoor het is ontworpen. Gemeenten die hun woon- en leefkwaliteit willen bewaken, beschikken over diverse instrumenten. De keuze voor het juiste instrument vraagt echter om een gedegen instrumentenafweging. Substantiële ordeningsmaatregelen die de bestemming van gronden raken, horen thuis in een ruimtelijk uitvoeringsplan, niet in een stedenbouwkundige verordening.
De praktijk leert dat verordeningen die te ambitieus worden opgesteld regelmatig het voorwerp uitmaken van annulatieberoepen bij de Raad van State of (via de omweg van artikel 159 G.W.) de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De gevolgen van een vernietiging zijn niet te onderschatten: het beoogde beleidskader verdwijnt, lopende dossiers geraken in onzekerheid en de vertraging in de uitvoering van het ruimtelijk beleid kan aanzienlijk zijn. Een zorgvuldige voorbereiding en een grondige juridische screening vooraf kunnen deze risico’s aanzienlijk beperken.
Materiële motivering blijft daarenboven essentieel. Uit de verordening zelf of het administratief dossier moet blijken dat een afweging werd gemaakt van de ruimtelijke behoeften van de verschillende aanwezige maatschappelijke activiteiten. Ook het geografisch toepassingsgebied moet worden onderbouwd. Een verschil in voorschrift moet steunen op een ruimtelijk verschil.
Ius vigilantibus scriptum est. Het recht is geschreven voor wie waakzaam blijft.
Gemeentebesturen die hun verordeningen zorgvuldig laten screenen op decretale grondslag, correcte formulering, afdoende motivering en instrumentenhiërarchie, verminderen het risico op vernietiging aanzienlijk en versterken de uitvoerbaarheid van hun ruimtelijk beleid. Bij GD&A Advocaten begrijpen we als geen ander het belang van deze materie.
Wij staan ook steeds klaar om uw bestuur met kennis van zaken bij te staan bij de screening en opmaak van robuuste stedenbouwkundige verordeningen.
Indien u meer informatie of advies wenst over uw gemeentelijke stedenbouwkundige verordening,, aarzel dan niet om ons te contacteren!
[1] RvS nr. 264.784, 7 november 2025