Bespreking van het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 3 februari 2026
Werkgevers dragen een belangrijke verantwoordelijkheid voor het welzijn en de gezondheid van hun werknemers. De Codex Welzijn op het Werk legt hen verschillende verplichtingen op om gezondheidsrisico’s op de werkvloer tijdig te detecteren en aan te pakken. Eén van die verplichtingen bestaat erin om, in bepaalde omstandigheden, de preventieadviseur-arbeidsarts in te schakelen.
In een arrest van 3 februari 2026 kreeg het arbeidshof te Antwerpen de gelegenheid om zich uit te spreken over de draagwijdte van die meldingsplicht. Daarbij beperkte het hof zich niet tot de beoordeling van de concrete feiten, maar stelde het ook een fundamentele vraag over de strafrechtelijke afdwingbaarheid van de betrokken welzijnsbepaling.
1. Meldingsplicht aan de preventieadviseur-arbeidsarts
De Codex Welzijn op het Werk verplicht werkgevers om de preventieadviseur-arbeidsarts te verwittigen wanneer een werknemer klachten uit over ongemakken of tekenen vertoont van een aandoening die verband kan houden met de arbeidsomstandigheden. Die verplichting geldt eveneens wanneer de werkgever vaststelt dat de lichamelijke of geestelijke toestand van een werknemer de risico’s verbonden aan diens werkpost onmiskenbaar verhoogt.[1]
Het is vervolgens de preventieadviseur-arbeidsarts die autonoom beoordeelt of een gezondheidsbeoordeling noodzakelijk is en welke preventieve maatregelen eventueel aangewezen zijn. Op die manier wil de wetgever vermijden dat gezondheidsproblemen op de werkvloer onopgemerkt blijven en/of escaleren zonder medische opvolging.
De niet-naleving van deze verplichtingen kan bovendien strafrechtelijke gevolgen hebben. Het Sociaal Strafwetboek koppelt namelijk een algemene strafbaarstelling aan de bepalingen van de Codex Welzijn op het Werk.[2]
2. Bespreking van het arrest van 3 februari 2026
a) Achterliggende feiten en vorderingen
De zaak betrof een magazijnmedewerker die werkzaam was in gekoelde ruimtes en hoofdzakelijk fysiek belastende arbeid verrichtte. Na verloop van tijd ontwikkelde hij ernstige heupklachten en vroeg hij meermaals om aangepast werk. Volgens de werknemer had hij zijn werkgever hierover voldoende geïnformeerd via medische attesten en e-mailverkeer.
De werkgever betwistte evenwel dat hij de medische attesten ooit had ontvangen.
Toen de werknemer later een kijkoperatie onderging en uiteindelijk een heupprothese nodig bleek te hebben, stelde hij dat de werkgever zijn verplichtingen uit de Codex Welzijn op het Werk had geschonden door de preventieadviseur-arbeidsarts niet tijdig te betrekken.
Voor het arbeidshof vorderde de werknemer in hoofdorde een schadevergoeding wegens discriminatie op grond van een handicap. Subsidiair stelde hij dat de werkgever een welzijnsmisdrijf had gepleegd door de meldingsplicht uit de Codex Welzijn op het Werk niet na te leven en vorderde hij een schadevergoeding wegens schending van artikel I.4-4 van de Codex Welzijn op het Werk, zoals strafbaar gesteld door artikel 127 van het Sociaal Strafwetboek.
b) Geen discriminatie wegens handicap
Het arbeidshof verwierp vooreerst de discriminatievordering.
Volgens het hof slaagde de werknemer er niet in aan te tonen dat hij tijdens de relevante periode reeds een handicap had in de zin van de antidiscriminatiewetgeving. Hoewel hij fysieke klachten ondervond en over medische attesten beschikte waarin aangepast werk werd aanbevolen, bleek daaruit niet dat er sprake was van een duurzame beperking die zijn deelname aan het beroepsleven wezenlijk belemmerde.
Daarnaast stelde het hof vast dat evenmin bewezen was dat de werkgever redelijke aanpassingen had geweigerd. De verzoeken van de werknemer waren weinig concreet, de ontvangst van de medische attesten kon niet worden aangetoond en de werkgever had bovendien zelf voorgesteld om een consultatie bij de preventieadviseur-arbeidsarts te organiseren. Op dat voorstel was de werknemer uiteindelijk niet ingegaan.
c) Wanneer ontstaat de meldingsplicht
Vervolgens onderzocht het arbeidshof of de werkgever de preventieadviseur-arbeidsarts had moeten verwittigen overeenkomstig artikel I.4-4 van de Codex Welzijn op het Werk.
Het hof oordeelde dat uit de voorliggende stukken onvoldoende bleek dat aan de wettelijke voorwaarden was voldaan. Er kon niet worden bewezen dat de werkgever beschikte over medische informatie waaruit bleek dat de klachten verband hielden met de arbeidsomstandigheden of dat de gezondheidstoestand van de werknemer de risico’s van zijn werkpost onmiskenbaar verhoogde.
Ook de e-mails van de werknemer werden onvoldoende duidelijk geacht om de wettelijke meldingsplicht automatisch te doen ontstaan. Bovendien had de werkgever, zodra hij kennis kreeg van de gezondheidsproblemen, zelf voorgesteld om de preventieadviseur-arbeidsarts te betrekken. De werknemer maakte van die mogelijkheid geen gebruik.
Het arbeidshof besloot dan ook dat geen schending van de meldingsplicht kon worden vastgesteld.
d) Kritiek op de algemene strafbaarstelling van de Codex Welzijn op het Werk
Hoewel deze vaststelling op zich volstond om de vordering af te wijzen, ging het arbeidshof een stap verder. Het onderzocht of artikel I.4-4 van de Codex Welzijn op het Werk überhaupt voldoende nauwkeurig is geformuleerd om als grondslag te dienen voor een strafrechtelijke veroordeling.
Volgens het hof bevatten verschillende kernbegrippen uit de bepaling onvoldoende duidelijke criteria. Begrippen zoals “ongemakken”, “tekenen van een aandoening” en een toestand die de risico’s van de werkpost “onmiskenbaar verhoogt” laten volgens het hof te veel ruimte voor interpretatie. Daardoor kan een werkgever moeilijk vooraf inschatten wanneer precies de wettelijke meldingsplicht ontstaat.
Het legaliteitsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, vereist nochtans dat strafbare gedragingen voldoende duidelijk, precies en voorzienbaar worden omschreven. Omdat het arbeidshof van oordeel was dat artikel I.4-4 van de Codex Welzijn op het Werk niet aan die vereiste voldeed, besloot het de bepaling – voor zover zij als strafrechtelijke norm fungeert – buiten toepassing te laten op grond van artikel 159 van de Grondwet.
***
Het arrest betekent geenszins dat werkgevers hun verplichtingen inzake gezondheidstoezicht niet of minder ernstig moeten nemen. De Codex Welzijn op het Werk blijft integraal van toepassing en werkgevers blijven gehouden om gezondheidsproblemen op de werkvloer zorgvuldig op te volgen en, waar nodig, de preventieadviseur-arbeidsarts tijdig te betrekken.
Wel illustreert deze uitspraak dat de concrete toepassing van sommige welzijnsverplichtingen aanleiding kan geven tot complexe juridische discussies. Bovendien toont het arrest aan dat rechters bereid zijn om ook de strafrechtelijke grondslag van dergelijke verplichtingen kritisch te toetsen aan het grondwettelijk legaliteitsbeginsel.
Het valt af te wachten of andere arbeidsrechtbanken en -hoven deze redenering zullen volgen. De uitspraak kan in elk geval een belangrijke invloed hebben op toekomstige geschillen waarin een vermeende schending van de welzijnswetgeving centraal staat.
***
GD&A Advocaten volgt de ontwikkelingen binnen het welzijnsrecht op de voet en begeleidt werkgevers dagelijks bij vragen over preventie, gezondheidstoezicht en meer.
Wenst u advies over de toepassing van de Codex Welzijn op het Werk of over een concreet dossier? Onze specialisten staan u graag bij.
[1] Artikel I.4-4 Codex Welzijn op het Werk.
[2] Artikel 127 Sociaal Strafwetboek.